elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: daal

daal , dale , Tw. beneden. Lekt et dale, leg het neder. Umme dale, om laag, beneden. Holl. dal, vallis. L. F. del, neder.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
daal , dale , dale zetten, dale smieten, Nederleggen, op den grond werpen, ‘smiet oe dale,’ zet u neêr, ga zitten, neem plaats; ‘op en dale,’ op en neder; ook Overijselsch. Dal, daling, laagte. Middennederl. dale, te dale, naar beneden, nederwaart, omlaag, als Walewein, vs. 9347: ‘Al duereleden (= doorgingen, [overlijden, overgaan]) si die sale / Ende ghingen nederwaert te dale / Den andren graet (= trap, Lat. gradus), enz.’ Reinaert, vs. 890: ‘Doe ginc hi neder te dale / Eenen verholenliken pat.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
daal , dale , neder: op en dale: op en neêr. Als iemand binnenkomt zegt men: smiet oe dale! zet u neder. Ook hoorde ik eens vragen: haste de rogge al dale? Hebt gij de rogge al gemaaid? (vergelijk op los).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
daal , daal , deel, daol, deal, daele, dele , 1. neder = daole vallen, zik daele dreien = zich neerzetten. Gron. deel, del, Friesch del, Overijs. Geld. daele, dale; op en daole = op en neer; MNederl. dale, te dale = naar beneden; Oostfr. dâl, dä̂l = beneden, nederwaarts; Holst. bargdaal = bergaf; – daal = Westf, Oudfr. del, Noordfr. dahl, Kil. delle; bij M. Stoke in ’t dal = op den grond. De oorspronkelijke beteekenis van: daal, deel, del = dal, ’t HD. Thal = laagte. 2. (Beilen, Westerb.) = (Diever, Dwingeloo), elders: neder; Jan keek veur zich deel; op en deel; kop om deel! = buk u!
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
daal , [neer] , dale , (bijwoord) , [weinig gebruikelijk] neder.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
daal , [beneden, omlaag] , dale , (bijwoord) , üm dale, naar beneden; zich of sik dale smîten, gaan zitten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
daal , deel , in samenstellingen als: omdeel, enz.; zie: del.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
daal , doale , (Westerwolde), in: noa doale = naar beneden; hij kwam d’r doale = hij kwam te vallen. Vgl. del.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
daal , del , (Westerkwartier); del, deel (Hoogeland), doale (Westerwolde), overigens deel = neer, (naar) beneden, in samenstellingen: delloop = weg of pad van de hoogte naar de laagte leidend; in delloop van stroat kwammen peeren op loop; – delvallen = neervallen; de stijn vōl stoef bie mie del = de steen viel dicht bij mij neer; delgooien = delsmieten = op den grond werpen; ook Drentsch; delzetten = neerzetten, op de tafel, op den grond, enz. delkwakken = met een zwaren slag op den grond vallen, neerploffen; deldrukken = deeldrōkken = neerdrukken; ook Oostfriesch ’t land op en del loopen = de boerderij in alle richtingen afloopen; ook één of meer stukken land afloopen, bv. op de jacht; Middel-Nederlandsch ende te dale, op ende tale = op en neder. Verdam art. dal, kol. 44). zij ken nijt op of del = zij kan gaan noch staan, moet het bed houden of op een’ stoel zitten wegens zwakte, rheumatiek, enz.; omdel goan = naar de laagte gaan, dalen; de konterleur gait omdel (= zakt) = de controleur daalt; omdel komen = afkomen, afdalen, bv. van den zolder, van eene steigering, enz.; Koksioanen loopen altied mit kop omdel = de christelijk afgescheidenen loopen altijd met gebogen hoofd. – Ommel. Landr. I, 27: in de opgaande en de deelgaande Linye; III, 48: Linea descendens, dat is daelgaende Linie. Drentsch daal, deel, daol = neder; daole vallen = gaan zitten; op en daele (of: daole) = op en neer; Friesch del, Overijselsch Geldersch daele, daole; smiet oe daole = ga zitten; Kil. delle = dal; dellen (vet.) = dalen; Middel-Nederlandsch dale = neder; te dale = naar beneden; Melis Stoke: in ’t dal = op den grond. Oostfriesch dâl, dä̂l = beneden, nederwaarts; dâl leggen, smîten, enz.; bidâl = naar beneden; Holsteinsch daal, dal = naar beneden; bargdaal = bergaf; bavendaal = van boven naar beneden; Westfaalsch del = naar beneden; Oud-Friesch delfal = val, neerkomen; Noordfriesch ap en dähl = op en neer; dählfallen = nedervallen. – De oorspronkelijke beteekenis van: del, deel is = dal, Hoogduitsch Thal = laagte; Middel-Hoogduitsch gên tal = naar de laagte, van hooger naar lager. Vgl. Engelsch dell = dal. kuil, hol, bij v. Dale: del, delle, delling (verouderd) = laagte, dal, vallei; nevens pokdalig ook: pokdaal zelfstandig naamwoord). Zie ook: dellen, en: deel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
daal , del , (bijwoord) , Naar beneden. Alleen in de uitroep kop del! kop neer! Bij het haasje-over springen, als waarschuwing aan de gebukt staande makker, dat men komt aanlopen. – Evenzo Fri. del, naar omlaag (HALBERTSMA 603). Vgl. Mnl. Wdb. II, 43: te dale.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
daal , daale , bijwoord , neer. Smiettet ů daale: ga zitten; daale vallen: neervallen. Op en daale räizen: heen en weer reizen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
daal , dale , Iets dale zetten of leggen, dat is neder zetten etc.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
daal , daal , daale , bijwoord , omlaag. Smiet owe daal, ga zitten!; daal skeetn, neerschieten; de rogg’is daal, de rogge is gemaaid; dr achter daale komm, achter ’t net vissen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
daal , daal , bijwoord , Omlaag, naar beneden (verouderd). Zegswijze koppie daal, kopje onder (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
daal , [omlaag, naar beneden] , dale , daele , omlaag, naar beneden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
daal , daele , omlaag, naar beneden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
daal , deel , daal, dele, daele, dale , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook daal (Zuidoost-Drents zandgebied), dele (Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), daele (Zuidwest-Drenthe, zuid, Nsch), dale (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) = neer, naar beneden Eigenlijk komt dat op hetzulde dele (Hijk), Dat vlaigmesien is door dele kommen (Vtm), Wij gungen op de wupwap op en deel (Gas), De klapbrogge völt mit een klap dale (Pes), Het komp allemaol op mie dele op mij neer (Bov), Die is der achter deel kommen mal te pas gekomen (Sle), Wij hebt de haver dale gemaaid (Koe), Neem een stoel en val dale ga zitten (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
daal , dale , omlaag, neer. Smakt oe maar dale, of: zet oe mar dale ‘ga maar zitten’. Gunninks woordenlijst van 1908: Nao däle ‘naar beneden’. Zie ook: Gunninks woordenlijst van 1908: umdäle
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
daal , daele , naar beneden. Gooi dât dink is umdaele.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
daal , daele , del , bijwoord , 1. neerwaarts, naar beneden 2. langs, in de lengterichting (langs, over) 3. voorbij; del, verkorte vorm van daele (erbijlangs)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
daal , del , zelfstandig naamwoord , katzwijm In êêne klap legtie del In één klap ligt hij in katzwijm
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
daal , [beneden] , dale , (naar) beneden, neer.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal