elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dekker

dekker , dekker , Iemand die de boeren huizen met strooi of riet dekt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
dekker , dekker , de , dekkers , daklegger Nao disse storm zal de dekker het wel drok kriegen (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dekker , dekker , rietdekker.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dekker , dekker , dekker
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dekker , dekker , zelfstandig naamwoord , de; rietdekker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Dekker , Dèkker , de akkers achter de H. Clemenskerk. Nu heet dit gebied Nuenen-Oost.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
dekker , dèkker , zelfstandig naamwoord , (dak)dekker; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis zó ast valt, zi den dèkker (D'16) - Dit is een uiting van berusting of fatalisme.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal