elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dobber

dobber , dobber , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Bij de visserij. Ook een van bies gevlochten schijf, met aan het ene einde een steentocht (touw met steen, om het afdrijven te voorkomen) en aan het andere een hoek; dienende om aal te vangen en daarom ook aaldobber genoemd. Syn. duul. || De dobbers worden des avonds geschoten en des morgens gevaand (nagezien, opgehaald). Heb-je de dobbers al klaar’emaakt (van steentocht en haak voorzien)? Eens op een seekre tijdt soo voer ik door de Slooten, om dobberen te vaen, aldaer van ons geschooten: Ik haeld’ een dobber op, en siet ik ving een Snoek; doch echter wierd hy niet gevangen aen de hoek: maer aen de andre draet daer wy de steenen maken, die was, gelijk ’et scheen, geheftet aen zijn kaken, SCHAAP, Bloemt. 55. – Evenzo elders in Holl. en Friesl. (doaper, HALBERTSMA 682). Vgl. dobberaal. – Zegsw. ’t Zal een harde dobber zijn, het zal er om spannen, het is zeer de vraag of het goed zal gaan. || Ze proberen of ze de brand nog blussen kennen, maar ’t zel ’en harde dobber wezen. ’t Zel ’en harde dobber zijn, of de zieke ’et nog haalt. – Ook elders gebruikelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dobber , dobbert , Het ampt van kerkbewaarder, of gelijk men elders zegt hondenslager is te Deventer met dat van doodgraver vereenigd; en die dezen waarneemt wordt dobbert genaamd. In Friesland gebruikt men dubbe nog voor een kuil. Kiliaan heeft dubben onder de aarde, subdere subsolum etc.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
dobber , dobber , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze erges ’n dobber an hewwe, ergens een harde dobber aan hebben. – ’t Zel ’n hêle dobber worre, het zal een moeilijk karwei, een zware opgave worden. De zegswijze luidde oorspronkelijk ‘ergens een harde dobbel aan hebben’, d.w.z. dat men bij het dobbelspel nog hoger ogen diende te gooien dan degene die al een hoge score had.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dobber , dobber , dobbel , dobbers , Ook dobbel (Zuidwest-Drenthe, bl) = 1. visdobber De dobber gung hieltied under, mar ieder keer zat er niks an (Pdh) 2. heel karwei, zware dobber Het hoes is hum opbraand en hij zal der een zwaore dobber an hebben, um de zaak wèer veur mekaar te kriegen (Hijk), Dat toenspitten was veur hum een hiele dobber (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dobber , dòbbel , dobber
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dobber , döbbertien , dobbertje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dobber , dobber , zelfstandig naamwoord , de 1. dobber (aan een hengelsnoer) 2. in een zwaore/hiele dobber een heel karwei, een moeilijke opgave, iets waardoor men het zwaar te verduren krijgt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dobber , dobber , (zelfstandig naamwoord) , döbbertien , dobber.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal