elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doodbidder

doodbidder , doodbidder , (= aanspreker), alleen in: ’n gezicht hebben as ’n doodbidder = er akelig bleek en deftig uitzien. – (bidden = verzoeken, ’t Hoogduitsche bitten, dus: doodbidder = die ter begrafenis noodigt, Stad-Groningsch leianzegger.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
doodbidder , doodbidder , Aanspreker.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
doodbidder , doodbidder , de , (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. waker bij een dode 2. scheldwoord Wat een doodbidder is dat klootzak (Dwi) of: zwartkijker (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doodbidder , doodbidder , zelfstandig naamwoord , de 1. saaie vent 2. in toekieken as een doodbidder erg ongezond (nl. als een aanspreker)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doodbidder , dôôdbidder , zelfstandig naamwoord , dôôdbidders , dôôdbiddertie , aanzegger van een sterfgeval (ging huis aan huis de tijding vertellen) Zie ook añzegger
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
doodbidder , dodsbidder , dôodsbidder , zelfstandig naamwoord , "doodbidder, aanspreker; LDM: Voor de tijd dat de stichting ""Rooms leven"" de begrafenissen regelde, werd dit particulier door de ""doodbidders"" verzorgd. Deze hadden voor hun raam een bordje, waarop behalve hun naam ook te lezen stond: ""Aanspreker en lijkbezorger"". Nu was het geen zeldzaamheid, dat voor de woning van een ernstige zieke, waarvan een spoedig einde verwacht kon worden, een of soms méér van deze mannen in de buurt bleven rondwandelen om zodra de zieke de laatste adem had uitgeblazen, direct hunne diensten te kunnen aanbieden. Hier werd dan het spreekwoord: ""De een zijn dood is de ander zijn brood"" tot een waar woord gemaakt. Het is natuurlijk wel te begrijpen, dat wanneer dat op en neer kuieren door de naastbestaanden van de zieltogende werd opgemerkt, dit bij hen een minder prettige indruk maakte. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 ‘Doden-cultus van eertijds’; NTC – 16-11-1950); Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Jao, ge hòd van die dôod, ge hòd van die dôodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul plòtse as de meense enen dôojen in hèùs hadde, dan wier der zon wèpke bèùte gezèt, en paor stêene teege mekaaren aon èn daor zon palmtèkske tusse, en boske strôoj…”; Hij is dodsbidder, mar ut is ok unne echte dooije diender ook! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); Henk van Rijen: doodbidder, aanzegger v.e. sterfgeval, aanspreker; Soms kwaam enen dodsbidder langs om òn te zègge hoeneer de begròffenis waar. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal