elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drammen

drammen , drammen , aanstaan, dringen, drijven.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
drammen , drammen , van kinders die de moeders plagen en dwingen en al schreeuwende en de lip latende hangen hunne ontevredenheid te kennen geven. Een drammer, de zoodanige, een lastige schreeuwer en dwinger.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
drammen , drammen ,  dremmen , drammen = aansporen, aandrijven; hiervan ook = dwingen van kinderen. Gron. drammen, dransen = schreiend dwingen van kinderen, dwingend om iets vragen. Oostfr. Neders. drammen = luid dwingen; Overijs. drensen, Geld. dransen; Westf. dransen = eigenzinnig schreien van kinderen. Holst. dramm = verdriet. dremmen = jagen, drijven, aanzetten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
drammen , drammen , dremmen , (zwak werkwoord) , huilend aandringen; (Overijs. dremmen).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
drammen , drammen , (Oldampt, Westerwolde) = dranzen (Ommelanden), ook: tandsen = het pruilende, schreiende dwingen van kinderen, dwingend om iets vragen; ’n drammer = ’n dwingerd = een kind dat onophoudelijk dwingt; drans wezen = zich aan zulk dwingen schuldig maken; hiervan: gedrans = gedram = gevieg. Drentsch drammen = dwingen van kinderen; dremmen = aansporen, aandrijven, jagen, drijven; Oostfriesch Nedersaksisch drammen = luid dwingen; Overijselsch drensen, Geldersch dransen, en: drammerig = dwingend; bij v. Dale: drenzen, drenzerig, drenster, en: drammen, drammig, drammerig, dramster (gewestelijk); Westfaalsch dränsen = eigenzinnig schreien van kinderen; Holsteinsch dramm = verdriet; Middel-Nederduitsch dram = leven, alarm; Oud-Noorsch dramb = gepoch, gebral, enz. Zie: tandjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drammen , drammen , dremmen , Drenzen, pruilen, dwingen, op een huilenden toon iets vragen (van kinderen gez.). Onze Gr(i)eetjen is n(i)eet z(i)eek: ’t is maor drammen üm in hü̂s te blîven; ’t is ’n drammerig dink.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
drammen , drammen* , jengelen bij v. Dale komt overeen met het Zeeuwsche “jongelen.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
drammen , drammen , dremmen , Drenzen, pruilen, dwingen, op een huilenden toon iets vragen (van kinderen gez.). Onze Gr(i)eetjen is n(i)eet z(i)eek; ’t is maor drammen üm in hü̂s te blîven; ’t is ’n drammerig dink.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
drammen , dråmmen , zwak werkwoord , aandringen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
drammen , drammen , dremmen, benzen , werkwoord , Het verdrietig dwingen van een kind. Adject. drammig.Ik weet naauwlijks eenig onderscheid in ’t gebruik dezer twee verba. Wanneer verscheiden personen iets verrigten of zig te zamen ergens heen begeven zullen en een van allen de anderen sterker dan noodig is, of met eene zekere onrustigheid, aanzet om te beginnen of voort te maaken, zegt men van zulk eenen dat hij dremt of benst. Spreekwijs: wat ligt hij te dremmen! te benzen! Ook maakt men ’er substantiva van, bij voorb. wat een gedrem, wat een gebens heeft hij op zijn lijf!
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
drammen , dramm , werkwoord, zwak , zaniken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
drammen , drammen , erg dwingen of zeuren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
drammen , drammen , zeuren.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
drammen , drammen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. drammen Dat kind zit maar te drammen en te dwingen (Bco) 2. opjagen, aandrijven (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij luup aal achter hum an te drammen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drammen , drammen , zaniken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
drammen , dramm , door zeuren iets afdwingen. Och jonge gaot er toch niet sjankn en dramm, ’t gebeurt niet, iej blief in huus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal