elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dunnege

dunnege , dunne egge , ook duneggel, vr. de slaap van het hoofd. Eigenlijk de dunne kant of zijde, in tegenoverstelling van de heuvels der jukbeenen. De A. S. en Islanders noemen het de dunne wang. A. S. thunwanga. Isl. thun-wangr. De oude Hollanders de duyning des hoefts. Ook dunninghe.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
dunnege , [slaap van het hoofd] , dunegge , slaap van ʼt hoofd. Het Gron. heeft duneggen en: dunnekken (alleen ʼt meerv.); Overijs. dunne egge duneggel, Oostfr. dünegge, Neders. Holst. dünnige, dünninge, dünje, Hamb. dünne; Kil. dunninghe = slaap of slagh des hoofts; Deensch tynding, Zw. tinning, Noordfr. thenning, ONoorsch thunvangi, OSaks. thinnonga, AS. thunvinge; OHD. thunvengi, dunwengi. Volgens Grimm samengesteld uit het OHD. tinnâ (= tunna, Tonne), tina (vat), en: wange; ten Doornkaat brengt het eerste deel tot de beteekenis van: zacht, zwak, week, en dan zooveel als: teere, zwakke wang.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dunnege , dun-egge , De slaap van ’t hoofd. Egge wordt hier en daar door ’t Gemeen gebruikt voor zijde of kant. Kiliaan verklaart het door angulus. Hij heeft ook dunne, dunninghe, tempora, doch niet het hier gebruiklijke zamengestelde dun-egge. Heeft het bekende diefegge (fur foem.) hier mede eenige verwantschap? [Zelf-egge, zelf-kante = lijst, egge van ’t mes, acies cultri; A.S. ecge, acies; dun-egge is de dunne egge van ’t hoofd; in ’t Psalt. AS van Spelman staat Ps. 131:5 dunwengum, temporibus.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
dunnege , dunegge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , duneg’n , slaap, van het hoofd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dunnege , duneggen , slaapbeen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dunnege , dunegge , duneg , duneggen, dunekken (Kop van Drenthe) , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook duneg (Midden-Drenthe) = slaap Ik kreeg een klap in de duneggen (Sle), ...in de dunegge (Oos), ...tegen de duneggen an (Row), An de duneg kuj niet veul lieden (Eex), Hij wordt aal gries bai de dunekken (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dunnege , dun-egge , (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) slaap (deel van het hoofd)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal