elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dutten

dutten , dutten , Is ons niet volkomen onbekend in den zin van delirare dien Kiliaan opgeeft; maar wij gebruiken ’t voornamelijk voor dommelen of onvast slapen. Dus zegt men ook een dutje houden, d.i. een slaapje. [Gedutten Schillink = geklopten schelling; op dien schelling is geen dut; een valschen dut; dutten, ergens eenen dut in slaan.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
dutten , dutten , dotten , zwak werkwoord, onovergankelijk , dutten Ote zit weer te dutten (Smi); dotten (Zuidoost-Drents zandgebied) = dommelen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal