elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: enk

enk , enk , nenk , (mannelijk) , een bepaalde omtrek bouwlanden of weidegronden. Dit woord is in den vorm H. D. Theot. ankar. De anderen hebben g. Gelijk broek, fenne, weide, eigenlijk vochtige en dampige moerassen beteekenen, zoo is het Zw. anga ook stoom en damp. Van daar Isl. angur, Zw. ang, vlakte bij het zeestrand, weide. Zw. anga, vlakte, district. Men zet er ook de lipaspiratie voor in A. S. wang, Isl. wangr, veld, warande. In de rekenboeken van Deventer is eene klagte van boeren, dat hunne wangen overstroomd waren, d. i. de randen der beken, kleine dijkjes.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
enk , ink , voor A. S. ing, weide. Jan komt te wonen op eene landhoeve, die naar hem Jan-ink genoemd wordt; eig. Janninkhof, en hiervan het onzijdige geslacht het Jannink, het Bannink enz. In Engeland zijn een’ menigte dorpen die hunnen naam op dezelfde wijze gekregen hebben; b. v. Godelm, Godelm-ing. Zie enk.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
enk , eng , enk , (mannelijk) , enke , [weinig gebruikelijk] veld om het dorp.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
enk , eng , enk , (mannelijk) , enke , veld om het dorp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
enk , enk , (mannelijk) , Akker. Meestal gezegd van een aanzienlijke oppervlakte bouwland. Zoo heeft men o. a. te Deventer: den légen enk, d.i. al ’t land van de stad tot de Platvoet.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
enk , inge* , Hoogduitsch Anger.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
enk , enk , (mannelijk) , enken , Akker. Meestal gezegd van een aanzienlijke oppervlakte bouwland. Zoo had men o.a. te Deventer: den légen enk, d.i. al ’t land van de stad tot de Platvoet.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
enk , enk , esch , mannelijk , Digt bij steden, dorpen of gehugten vindt men veelal een verzameling van bouwlanden, wel aan onderscheiden eigenaren toebehorende, doch door geene slooten of omheiningen van elkander afgezonderd. Dezen dragen hieromstreeks collective den naam van enk, in Twente en elders van esch of es, masc. gen., bij voorb.: in den enk, in den esch. Zoude Kiliaans enckel, enckle: juvenis arator, hier mede eenige gemeenschap hebben? [Een grote kamp, hoog bouwland waarin geene gravens of heggen zijn, is in Twente nen esch, al behoort hij éénen eigenaar toe en al wordt hij van éénen boer bebouwd.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
enk , eng , neng, enk, ink , 1. hoog bouwland; 2. weide omzoomd door houtgewas; ink (Oldebroek, Wezep). Zie ook kamp.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal