elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: foezel

foezel , foesel , Sterke Drank.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
foezel , foesel , voor slechte jenever of andere sterke drank.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
foezel , foezel , Slechte jenever, id. Overijselsch. Na aftrek van de geestrijke deelen, ’t zij dan van gerst of rogge, wordt het bezinksel of de draf veel aan varkens gegeven en te Zwolle onder den naam van foezel, foezeldrank te dien einde door de kleine boeren van de branderijen weggehaald; terwijl in Gelderland dat zelfde bezinksel genoemd wordt juche of juchte, Kiliaan, juche, sop, soep, draf, nat enz. in het Fransch jus, Lat. jus, in Holland spoeling geheeten; zie op zomp.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
foezel , foezel , jenever, vooral Munstersche jenever.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
foezel , foezel , jenever. In Gron. foezel = smokkelbrandewijn, en voorts alle slechten jenever en brandewijn; ook Overijs. Geld. Neders. Holst. HD. Fusel; ZLimb. foezel = Pruisische jenever. Stürenb. fuusje = korenbrandewijn; ten Doornk. fusel = slechte brandewijn. – Het woord, eigenl. foeselolie, eene fermentolie, welke in de branderijen bij de gisting van rogge of aardappelen, gevormd wordt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
foezel , fûsel , (mannelijk) , genever.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
foezel , foezel , voor: aardappeljenever of aardappelbrandewijn, en zoo verachtend voor die dranken als het slecht is; ook Drentsch, Overijselsch, Geldersch, Nedersaksisch, Holsteinsch = Hoogduitsch Fusel.; Zuid-Limburg foezel = Pruisische jenever. Stürenb. (Oostfriesch) fuusje = korenbrandewijn; ten Doornk. fusel = slechte brandewijn. – foesel, eigenlijk foeselolie, eene fermentolie, welke in de branderijen bij de gisting van rogge en aardappelen gevormd wordt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
foezel , foezel , foetsel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Vroeger ook foetsel. Daarnaast ook foezelnet. Zeker visnet, dat langs de grond wordt voortgeschoven. Zie foezelen. || Schrob-netten, foesels, beugels, heeven, zuylen (keur v. 1659), Handv. v. Assend. 220. Seegens, leusnetten, schaeckels, schutnetten, foetsels en fuycken, Hs. ampliatie (a° 1687) op een keur v. !682, archief v. Assendelft. Ook sal niemandt vermoegen eenige Heeff, Schrob- of Foeselnetten ... te hooven nog te huysen, Hs. keur (Westzaanden, a° 1713), archief v. Wormerveer. – Elders komt foesel voor als benaming van de lederen riem, waarmede men muntstukken langs de grond voortslaat (Zaans dagen; zie aldaar). || Men gebruikte deze ... Penningen in velerlei Spelen, op een dergelyke wyze als de Jongens tegenwoordig doen, die dezelven werpen, onder den voet trappen, door lederen foesels voortslaan, tegen dezelven aan knikkeren of ’er met Stuiters op gooien, BERKHEY, Nat. Hist. 3, 1442. Ook het woordenboek van HALMA vermeldt foetzelen als naam van dit kinderspel. In de vorm voezelen vindt men het op een kinderprent, aangehaald bij SCHOTEL, Vaderl. Volksboeken 1, 294.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
foezel , fůůzel , mannelijk , jenever
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
foezel , foezel , Onder ’t lage gemeen voor genever. Van hier ’t algemeen gebruikelijke:
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
foezel , foêzel , gójkoêpe, slaechten drânk. Klets vur d’n bets / zág Boemele Pier / ik lus vánzelaeve / genne foêzel miër.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
foezel , foezel , slechte jenever.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
foezel , foezel , eigengestookte jenever.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
foezel , foezel , foenzel , Ook foenzel (bet. 2: Zuidwest-Drenthe, zuid) = slechte jenever Mouer, ik heb het in de koezen, geef mie even een bitken foezel (Bco), Ie moet die borrel duur betaolen, mor het is foezel slechte kwaliteit jenever (Bal), As wie ain keer slechte jenever haren, den zeden ze ook wel: dat liekt wel Duutse foezel (Vtm), Foezel haalden ze vrogger uut Pruusen (Zdw), ook gezegd van slechte koffie of andere dranken (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wat ik nou van de dokter ekregen hebbe, weet ik niet, maar ik kan die foezel der haoste niet deur kriegen (Ruw), De brij is zoer, geef die foezel maar an de varkens (Ruw) *Foezel en tebak moet der wezen, de rest komp vanzölf (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
foezel , foezel , jenever van slechte kwaliteit.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
foezel , foezel , zelfstandig naamwoord , de; slechte jenever, drinken van minderwaardige kwaliteit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
foezel , foezel , (zelfstandig naamwoord) , eigengestookte jenever, goedkope jenever.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
foezel , foezel , slechte jenever.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
foezel , foewzel , zelfstandig naamwoord , opgehoopt stof in de naad van een jaszak e.d. (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
foezel , foezel , (onzijdig) , eigen gestookte jenever van slechte kwaliteit
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
foezel , foezel , zelfstandig naamwoord , "mannelijk; sterke drank van slechte kwaliteit, in het bijzonder zelfgestookte jenever; WTT 2013 - mogelijk is de benaming gekozen omdat de drank vaak clandestien gestookt, verkocht en geschonken werd. zie foezele en foezelmaand; 1971 - Dat tenslotte met ""foezel"" slechte jenever wordt aangeduid, menen we al vroeger gemeld te hebben. Dit woord duikt in de Nederlandse taal echter pas op in de 18de eeuw. Er bestaat ook foezelolie. Dit is een mengsel van hogere alcoholen, ontstaan bij de gisting van suikerhoudende stoffen. Hij heeft een onaangename reuk en smaak en wordt daarom uit jenever en brandwijn afgezonderd. Nu is het wel duidelijk hoe slecht smakende jenever aan zijn minderwaardige naam komt. (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 125, 7-6-1971)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal