elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gallig

gallig , gellig , Schurftig, van schapen gezegd; bij Hoogstraten (Kluit) gael, schurft.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
gallig , [welig, welvarend] , gellig , (bijvoeglijk naamwoord) , [weinig gebruikelijk] welig, welvarend.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
gallig , gèllig , (bijvoeglijk naamwoord) , galllig (ziekte van schapen).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gallig , gellig , (bijvoeglijk naamwoord) , welig, welvarend.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gallig , gallîg , gemeen schimpwoord in: gallîge vent, kerel, mietert, bliksem, zooveel als: beroerde, nare, ellendige ploert, lummel, enz. (v. Dale: gallig = schurftig, eigenlijk galig, van het oude gaal = schurft; ook (verouderd fig.) = gramstorig, gemelijk, bits. – Kil. gaelsch = onaangenaam, terugstootend.) Oostfriesch hê is altîd so gallig as de bliksem.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gallig , gallig* , hier = schurftig; in het Nederlandsch is dit woord (het Fransche: gale) verouderd.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gallig , gelg , gallig (van schapen). Ook door ziekte hol uitziende en mager persoon
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gallig , gellig , Voor gallig wordt in de eerste beteekenis veelal gebruikt met betrekking tot een zekere ziekte onder de schapen, maar men bezigt het ook in ’t algemeen voor ongedaan, ziekelijk, bij voorb. hij ziet er gellig uit. [Galle is eene laag op den grond groejende, kleine, roodachtige, zelfs op den middag smerige en kleverige plant, waarvan de schapen, als ze die eeten, gellig worden; hij zal zich gellig eeten = door te veel appels etc. te eeten maaken dat hij mager worde, er bleek uit zie etc.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gallig , gelleg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , ziekelijk, van schaap
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gallig , galleg , leverbotziekte (bij schapen)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gallig , gallig , gallerig , Ook gallerig (bet. 3: Zuidoost-Drents veengebied) = 1. met galsmaak, bitter etc. Het vleis smaakt gallig (Bui), Dat gerak smak gallig (Oos), Een gallige neute naar zeep smakend (Die), (zelfst.) Wat bint de neuten van ’t jaor geve, der is gien iene gallige bij (Hav) 2. goor, vies (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Een gallig mensk (Bor) 3. met slechte gelaatskleur, niet lekker (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Meins, wat zeej der gallig oet, ie hebt het toch niet met de gal gelig (Hijk), Wat kik dat kind aaid gallig oet, mor ja, zien moe is ok een aordige kniepstuver met slechte gelaatskleur (Sle), Die is gallig ien de balg hij voelt zich niet goed (Rui), ‘s Aovends an de zoep en de andere dag gallig (Bco) 4. vervelend, gemeen (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) As ik die gallige vent in de vingers krieg, dan zal ik hum (Bov), Wat een gallige kerel (Stu) 5. onpasselijk (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) Ik wor al gallig as ik een gebakken knien zie (Bal) 6. weerzinwekkend (Zuidoost-Drents veengebied) Jonge, doe toch niet zo gallig, het is te vies om der naor te kieken (Eri) 7. kwaad Ik maakte mij zo gallig over die opmerking, dat... (Dal), Gallig in de hoed worden boos worden (N:ec), 8. met galziekte Gallige schaopen kuj de wolle zo uutplukken (Zdw), Hij zet der uut as een gallig schaop hij ziet er slecht uit (Dwi), (...) of je de schaopen ofstarft, de ien nao de aander, umdat ze zuk in het veld gallig vreten hebt (bl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gallig , gellig , (Kampereiland, Kamperveen) gallig (van schapen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gallig , gelleg , veeziekte. ’n Gelleg schaop.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gallig , gallig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. aan galligheid lijdend 2. gal opgevend 3. chagrijnig 4. galachtig, vies, bitter van smaak 5. zich niet gezond voelend 6. er ziekelijk, slecht uitziend 7. smerig, vies 8. erg vervelend, lastig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gallig , gellig , 1. te snel gegroeid; 2. opgeblazen, onnatuurlijk dik (Putten); 3. tochtig zijn van hazen of konijnen; 4. korzelig, gemelijk; 5. ziek (vooral van schapen en geiten); 6. vaal.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gallig , [nors] , gallig , nors , Eine gallige mins.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal