elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gaps

gaps , gepse , gupse , (vrouwelijk) , zooveel als men met de 2 aan elkander gehoudene handen opschept. En gepse fol hoaver, een dubbelde hand-vol haver. Fris. gaspe, en gaps. [vid. Kil.] In Essex in Engeland a yaspen, a yeepsen. De versterkende s mist nog in het lsl. gaupn, holle hand, schoot; van gaupna, omvatten.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
gaps , gupse , Zoo veel als men in de beide, aan elkander gevoegde en bij wijze van een kommetje of nap omgebogen handpalmen kan bergen, ‘een gupse vol kersen of noten,’ Kiliaan, gasp, gaps, hand-vol.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
gaps , gapse , vuist, vandaar een gapsevol = een vuist vol.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
gaps , gaps , zooveel als men in de beide samengevoegde handen kan houden; Gron. gapse, gaps = de beide tegen elkander gevoegde handen; ’n gapsevōl knikkers, kersen, enz. Kil. gasp, gaps = een handvol. Oostfr. gapse, gepse, gaps, geps, Neders. göpse vull; Westf. gäppelsche, Noordfr. gäsem, Midd.-Lat. haspus. – Eng. to gasp, Zw. gäspa, AS. gasp, IJsl. geispa = gapen, open staan.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gaps , gapse , gepse, güpse , (vrouwelijk) , de beide handen bij elkaar gehouden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gaps , gapse , gaps , de beide tegen elkander gevoegde handen om er iets in te bevatten; ’n gapsevōl, of: ’n gapsvōl knikkers, kersen, boonen, enz. Het woord heeft geen meervoud; gapsevōl, meervoud gapsenvōl. Vgl. v. Dale art. gaps. Kil. gasp, gaps = handvol. Geldersch gupse, gupsevol; Oostfriesch gapse, gepse, gaps, geps; Nedersaksisch göpse vull, Westfaalsch gäppelsche, Noordfriesch gäsem, Engelsch to gasp, Zweedsch gäspa, Angel-Saksisch gasp, IJslandsch geispa = gapen, openstaan. Zuid-Nederlandsch West-Vlaamsch gaps = dubbele handsvulle (De Bo). Middel-Nederduitsch gespe, gepse, göpse = de holte van de beide bijeengehouden handen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gaps , gaps , gapsk , zie: gappêrg. Oostfriesch gâpsk. – Ook wordt een vertrek genoemd, wanneer men van buiten kan zien wat daar binnen voorvalt, als men er ingappen kan. Vgl. spei. Zie: gapse.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gaps , gapse , gapsen, gapsene , wat men met beide aan elkaar gehouden handen opscheppen kan.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gaps , gepse , Een gepse of een gepse vol is zo veel als beide handen nevens elkanderen gehouden vatten. [De gepse is de holligheid, welke gemaakt wordt, als de beide handen omgekeerd en de vingers om hoog gestoken worden; ne gepse vol is zoo veel als die holligheid bevat; H.D. göspe; Fris. gaps, gaspe, bij Kiliaan: handvol.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gaps , gapse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , gapsn , gàpsken , handvol
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gaps , gaps , gapsvol, gapse, gaaspe, gaspe, göpse, gäpse, gesp , gapsen , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe). Ook gapsvol (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drenthe), gapse (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, veengebieden Oost-Drenthe), gaaspe (Zuidwest-Drenthe, noord), gaspe (Zuidwest-Drenthe, zuid), göpse (Zuidwest-Drenthe, zuid), gäpse (Nsch), gesp (wb) = handvol of zoveel als er kan liggen in de beide hol naast elkaar gehouden handen De peerden kregen een gaps haver op de haksel (Bor), Hej daor genog an? Aans doe ik er nog een gapsvol bij in (And), Een gapse vol water uut de wieke smök vrogger lekker (Hgv), Het was man zo’n beetien, ie kunden het in de gapse wal holden (Bov), Aj de kiepen twei göpsen ochtendvoer geeft, hebt ze wel genog (Hol) *Kleine haandties, kleine göpsies / Grote haanden, grote göpsen (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gaps , gops , de , gopsen , (Midden-Drenthe) = gulp, straal Hie kreeg ’n gops waoter over zuk (Gas), zie ook gob
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gaps , göpse , een handvol. Hie goojn vief keer ’n göpse haezelnöttn onder de schoelkiender.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gaps , [kommetje] , geups , geupse, göpse, gupse, gapse , 1. kommetje van twee handen; 2. straal of gulp water; 3. twee handen vol.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal