elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gespikkeld

gespikkeld , gespikkeld huwelijk , Is een huwelijk aangegaan tusschen twee personen waar van de eene is van den hervormden en de andere van den Roomschen godsdienst.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gespikkeld , spikkeld , bijvoeglijk naamwoord , Gespikkeld, gestippeld. || ’n Spikkelde koe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gespikkeld , gespikkeld , bijvoeglijk naamwoord , gespikkeld, met kleine vlekjes Die gespikkelde hond vien ik niet mooi (Eli), Gespikkelde kiepen (Dwi), Wij hebt dit jaor van die gespikkelde boonties verbouwd, van die doeveboonties, weej wel (Hgv), Ze had weer die gespikkelde jurk an (Mep), Het wordt mij gespikkeld veur de ogen (Klv), (zelfst.) Die gespikkelde, is die van je? (Sle), zie ook gesprenkeld
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gespikkeld , gespikkeld , gespikkeld
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gespikkeld , gespikkeld , spikkeld , bijvoeglijk naamwoord , gespikkeld, met spikkels
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal