elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gieren

gieren , gieren , (intransitief werkwoord) , slingeren zwaaien. De wagen nam een gier, waardoor hij geheel buiten het spoor geraakte. Vandaar gierbrug.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gieren , [bemesten] , ieren , (transitief werkwoord) , met ier bevochtigen, bemesten, het grasland met vloeibaren mest besprengen. In den landbouw gebruikt men het woord gier, doch hier zegt men doorgaans ier, van daar ieren, ierkuil, ierkar, ierpomp enz.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gieren , gieren , (zwak werkwoord) , [weinig gebruikelijk] zwaaien.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
gieren , gieren , (zwak werkwoord) , zwaaien, draaien, in groote kringen vliegen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gieren , gieren , een scherp gevoel in de keel ondervinden; ’t giert ijn deur de hals; wordt van te zoute spijzen en sterk prikkelende dranken gezegd. Ook voor eene zeer snelle beweging: “Fiks er deur gong ’t dat het zwierde, En ik trok heur dat het gierde.” Zie ook: hoelen.
gieren - groapen, tautologie voor: schrapen; de kerel dut niks as gieren en groapen = die man is zeer gierig, schraperig; ook Drentsch – Bij Verdam gieren, Middel-Hoogduitsch girn, Middel-Nederduitsch giren. Heftig verlangen, onstuimig begeeren. Aldaar ghiren ende gapen; gapen na, op iet = snakken naar, hijgen, jagen naar; hartstochtelijk naar iets verlangen of het begeeren (art. gapen.) Voorts: grapen = grijpen, grissen; grijpen ende grapen: Onse raetsheeren in den rechten geleert, die grijpen ende grapen sonder getal. (art. grapen). Kil. ghieren, ghiersen = met gretigheid verlangen of najagen. – groapen, van: grijgen. Engelsch to grasp; Holsteinsch grapfen = naar zich toehalen, bij Hooft grappelen. (v. Dale: gieren (verouderd) = met alle macht bijeenschrapen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gieren , ieren , (zwak werkwoord, intransitief) , Gieren, ier over het land verspreiden, het land met ier bemesten. Zie ier. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 47) en in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gieren , gieren* , in: ʼt giert ijn deur de keel, van heete of prikkelende dranken gezegd.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gieren , gieren , Beiden in de beteekenis als bij Kiliaan op ghieren, avide petere, inhiare.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gieren , giere , werkwoord , 1. Slingeren, zwaaien 2. Schuin toelopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gieren , giere , werkwoord , in de zegswijze giere van de arremoed, straatarm zijn. – As arremoed giere kon, kò je ’t hier hore, gezegd van lieden die straatarm zijn. – Giere van de honger, rammelen van de honger. – ’t Giert er van, het wemelt ervan. | ’t Giert deer van de rotte en muize.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gieren , iere , werkwoord , 1. Gier over het land verspreiden. 2. Bruinachtig vocht uitscheiden. | De skoorstien iert.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gieren , ieren , jirren, jidden, girren, gieren , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drenthe, veroud.). Ook jirren of jidden (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), girren (Kop van Drenthe), gieren (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = gier over het land brengen Het bietenland hebben ze ierd (Ass), Het hef regend, wij moet an het gieren (Sti), De boeren bunt an het gieren, het stinkt as de mieter (Bco), Wat ’n gaile lucht, de buurman is aan het jidden west (Eco), Die is naor het laand, hij mut het gruunlaand gieren (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gieren , gieren , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. gieren, fluiten De wind giert um het hoes toe (Sle), Dat wiel piept, het giert er over (And), Moej die auto’s is heuren gieren deur die schaarpe bochten (Eex) 2. schreeuwen, gillen, gieren Je kunden an het gieren van het zwien wal heuren, waor slacht weur (Bor), Het kind begunde haard te gieren, doou die groot hond zo dichtbij kwam (Eex), De zwienen giert as ze honger hebt (Sle), Peerd is hingstig, hie dut niks as gieren (Dro), De rotten giert as ze in nood komt (Sle), Jonge hazen giert as ze benauwd bint (Sle), Ze gierden van het lachen, do hij dat vertelde (Bco) 5. gezegd, wanneer (te) zout eten door de keel gaat Het giert je deur de hals, zo zolt is het (Rol) *Die het krempen aanneemt, moet zich het gieren getroosten die het zoet wil, moet het zure voor lief nemen (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gieren , gieren , werkwoord , gieren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gieren , jarren , werkwoord , gier over het land brengen, ter bemesting
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gieren , gieren , werkwoord , gier op het land verspreiden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gieren , gieren , werkwoord , 1. gieren 2. gierend lachen 3. een razendsnelle, suizende beweging maken 4. op pijnlijke, hinderlijke wijze door het lichaam trekken 5. een gierend geluid maken door paarden (door kortademigheid, boosheid)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal