elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gleuf

gleuf , gliive , (vrouwelijk) , neet, spleet. De deur op enne gliive setten, de deur op een reet zetten.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
gleuf , glieve , Spleet, scheur, reet, barst, opening als bij v. in een muur of beschot; ‘de deur op ’en glieve zetten,’ aanzetten, op een kier zetten; van glieven, klieven. Kiliaan, klieve, vetus (verouderd) ‘spleet.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
gleuf , glîve , (vrouwelijk) , gleuf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gleuf , glief , glieve , spleet, reet, scheur in een muur of beschot, enz.; hier deur de glieve ken ’k ’t licht zijn (hier door de reet kan ik het licht zien). Ook: deur stait op glief (Ommelanden) = de deure stait op de glieve (Oldampt) = de deur staat op eene kier. Geldersch – op ’n glieve, Oostfriesch – up de glife; glife = spleet. Vgl. gleuve, klieve en gloep.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gleuf , gleuve , gleuf , insnijding, kerf; ook = snee; kiek, ’k heb mie in de doem sneden, wat ’n gleuve! en als zoodanig = kleine sleuf, barst of scheur, en synoniem met: glief, en: glup.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gleuf , glîve , (vrouwelijk) , Gleuf, reet.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
gleuf , gloof , gleuf. Verg. sloof, sleuf.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
gleuf , glîve , (vrouwelijk) , Gleuf, reet.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
gleuf , glieve , Reet. Voorb. hij keek door de glieve van de deur.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gleuf , glieve , kier, spleet
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gleuf , gleuve , glieve , gleum, gleuven, gliem , gleufien , gleuf, kier.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
gleuf , gleuve , glieve , gleuf, kier.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gleuf , gleuf , gleuve , gleuven , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook gleuve (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = gleuf Ze hebben een gleuf graoven veur de waoterlaaiding (Row), Aj bonen poot, moej eerst een gleuf in de grond maken geul (Sle), Der zit een gleuve in een hoed (Eli), ’t Neie beschot is gaon warken, der zit beste gleuven tussen de plaanken kieren (Hgv), As het hiel hard vrös, koomt der gleuven ien het ies (Ruw), Een hilde, die geurt, zit vol gleuven (Zdw), zie ook glief
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gleuf , glieve , glief , glieven , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe). Ook glief (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = spleet, reet, kier Het tocht deur de glieven (Sle), Toun wie nog blinden haren, konden wie aaltied deur de glieve loeren (Vtm), Hij slèut hum mit de biele tegen de bille, die glieve mus ehecht worden (Ruw), Ik haar een gliefie in de doem (Nor), zie ook gleuf
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gleuf , gleuve , gleuf.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gleuf , gleve , glieve , zelfstandig naamwoord , de; reet, spleet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gleuf , gleuve , gleuf , zelfstandig naamwoord , de; gleuf, spleet, snee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gleuf , gleuve , glieve , (zelfstandig naamwoord) , gleuf. Zie ook: splete, sleuve.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gleuf , gleufke , gleufje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gleuf , glufke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , glufke; verkleinwoord; Henk van Rijen –  gleufje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal