elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gluip

gluip , gloep , in: de deur op de gloep zetten = de deur op een kier zetten; “ien houk van heerd zat kat mit oogen op gloep te spienen” (Hoogeland) Oostfriesch de dör steid up de glûp; glûpe, glûp, Borkum glop = spleet, reet, opening, nauwe gang, enz.; v. Dale: gluip (gewestelijk) = kleine opening, kier. Vgl. gloepen, glup, en: glief.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gluip , gloep* , vergel. ook glup *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gluip , glůppe , vrouwelijk , vinkenbaan, plaats om vogels te vangen. Bartelinksglůppe, Jån Büttensglůppe, Fitsglůppe
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gluip , gloepe , zelfstandig naamwoord , Juist als bij Kiliaan, zeker vogelnet, doch het verbum gloepen gebruiken wij niet zo zeer voor insidiari als om de phijsionomie uit te drukken van iemand, die op zijn luimen ligt. Even eens dient het adverb. gloeps. Dus zeggen wij, hij zit te gloepen, hij ziet er gloeps uit. Ook adjective een gloeps karel, dient men mede sustantive een gloepert heet.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gluip , gloebe , gloep , (op de gloebe staan), een weinig open staan van de deur
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gluip , gloep , klein zijriviertje of afwateringssloot
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gluip , gloep , gloepe , Ook gloepe (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. kier, opening Dou dei deure even dichte, dei stait nog op de gloepe (Bov), Laot de deur mor op de gloep staon, dan kuj het beter heuren (Sle), Ze kwam deur de gloep in de heeg (Row), Tussen die hoezen is een male gloep opening, waar de wind doortrekt (Een), zo ook Hij hef even te lang op de gloepe staon op de tocht (Klv), IJ staot net in de gloep, ij moet een èendtien wieder lopen (Sle), Aj daor um de hoek van het hoes toe komt, dan koj mooi in de gloep (Oos), Laowe even achter de mure staon, dan stao je uut de gloepe (Klv), Gloep over de baander pap van roggemeel (Midden-Drenthe), ook watergruwel (Sle) of slechte koffie (Zuidwest-Drenthe, zuid) Slechte koffie was joegte of gloep over de baander (Nije), zie ook bij glop
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gluip , gloep , in op de gloep staon op de loer (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Is daor wat te zien, jongs, ij staot zo op de gloep (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gluip , gluup , (Midden-Drenthe), in Hie hef een pen met twee glupen, umdat die vaok nogal dure rekens schreef (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gluip , gleupe , zelfstandig naamwoord , de; bep. scharnierblad op een groot hek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gluip , gloep , gloepe , zelfstandig naamwoord , de; 1. tocht, sterk zuigende wind 2. kier, deuropening of ruimte erachter (bijv. in geval van een kelderdeur) 3. heimelijke bedoeling, in uut de gloep 4. gaande beweging, in in/uut de gloep
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal