elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gorstelen

gorstelen , garstelen , gartelen , (zwak werkwoord, transitief) , Daarnaast (met uitval der s tussen r en t) gartelen. Bij de bakkerij. Het zwart schroeien van de met deeg besmeerde bovenkorst der roggebroden. || ’t Roggebrood is te veu1 ’egarsteld. – Garstelen is ook verderop in N.-Holl. gebruikelijk. Het woord is één met het thans verouderde Ned. gorstelen, schroeien (transitief en intransitief), waarnaast ook in gebruik is geweest gorselen en gortselen; zie Ned. Wdb. V, 447. – Vgl. garstel, garstelbak, garsteltafel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gorstelen , gorsselen , Het roggen brood een korten tijd in den oven geweest zijnde, wordt er uitgenomen en gegorsseld, dat is, door middel van een kwast met water bestreken, waar na men ’t gaar bakt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gorstelen , garzele , werkwoord , Zwartschroeien van de bovenkant van roggebrood (verouderd). Vgl. Boek. onder garstelen. Vgl. ouder Nederlands gorstelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal