elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grienen

grienen , grinen , schreijen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
grienen , grünen , huilen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
grienen , grînen , (sterk werkwoord) , green, egrénen , schreien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
grienen , grienen , huilend pruilen zonder tranen te storten; ook Zaansch. Kil. grenen, grijnen, Westfaalsch grainen, Deensch grine, Oud-Friesch grinen, grinje, grina = schreien. Nederlandsch grijnen = schreien, pruilen, verdrietig zijn; Middel-Nederlandsch grinen = grijnzen, grimmig zien.;
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
grienen , grînen , Schreien. Schreien wordt ook genoemd met een der volgende werkwoorden: jenken, sjenken, sjanken, blèren, lippen, brüllen, snòtteren. Spreekwijze: D(i)ee waogt d(i)ee wint, D(i)ee verspö̀lt d(i)e grint.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
grienen , grînen , Schreien. Schreien wordt ook genoemd met een der volgende ww.: jenken, sjenken, sjanken, blèren, lippen, brüllen, snòtteren. Spreekwijze: D(i)e waogt d(i)ee wint, / D(i)ee ve(r)spö̀lt d(i)ee grint.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
grienen , grijnen , Ik green, gegrenen. Schreien. Ook bij Kiliaan. [Te Deventer wordt grijnen alleen gebruikt om het wenen van menschen aan te duiden. In Twente huilen en grijnen beide, dog het eerste meest; van honden zegt men overal dat ze huilen.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
grienen , grienen , zwak werkwoord, onovergankelijk , grienen, huilen Waor grien ie umme? (Die), Schei nou maor is oet te grienen, daor wordt de zaak niks aanders van (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grienen , grienen , huilen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
grienen , grienen , werkwoord , grienen, ook gezegd van zacht, zielig huilen van een kind
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grienen , grie~ne , huilen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal