elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grind

grind , grinte , (vrouwelijk) , grint, kleine steentjes.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
grind , grinte , (vrouwelijk) , meel, (minder fijn dan bloem).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
grind , grande , tarwemeel van de grofste soort, tusschen grof (dat is grof meel) en zemel in. Weil. en v. Dale: grint, het tweede meel van de boekweit, in Geldersch grinte, grante; Oostfriesch grand = grof meel, meel waar het fijne uitgezift is; ook = grint; Nedersaksisch grand, de schaal van het koren, inzonderheid van tarwe, wanneer die nog meel bevat; Westfaalsch grand = grof zand; weitengrand = grof meel; Engelsch to grind = meel malen; Kil. grane, greyn, Noordfriesch grant, Deensch grand = stofje; graankorrel, zandkorrel, IJslandsch gran, Angel-Saksisch grand = klein korreltje; in Brunswijk grand = kiezel; grof zand; Nederlandsch grint = de kleinste soort van keien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
grind , grint , (zelfstandig naamwoord) , Alleen in de uitdr. ergens grint van hebben (of krijgen), van iets op de hoogte zijn, erg in iets krijgen. || Ze sprak derzelf (haarzelf) tegen, daardoor kreeg ik grint van der valse streken. Hij was woedend toen-i der grint van kreeg, dat zen broer zin had in ’etzelfde meissie. Ik heb er wel grint van, dat die twee ’et mit mekaar houwen. Hij heb ’er gien grint (geen benul) van. – Te Krommenie ook voor ongedierte op het hoofd, inzonderheid jonge luizen. || Kijk eris wat ’en grint: dat benne gezonde tekens.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
grind , grint , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Ook de gemalen doppen van rogge, fijne zemelen. Hetz. als grand; zie aldaar. Waarschijnlijk is grand aan de Zaan de oorspronkelijke benaming en grint eerst later van elders ingevoerd. Vgl. WEILAND, die het woord opgeeft in de bet. van tweede meel van de boekweit, en Ned. Wdb. V, 785, waar grind, grinte, het tweede meel van tarwe, als Graafschaps en Twents wordt vermeld.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
grind , grand , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , De gemalen doppen van rogge. Hetz. als grint; zie aldaar. – Het gruis van tarwe heet zemelen. – Vgl. Gron. grande, grof weitemeel, Oost-Fri. grand, grof meel, zandgruis, Ndd. grand, zand, Fri. grânt, korreltje, Zweeds en Deens grand, stofje. Het woord is van dezelfde stam als grint; vgl. FRANCK 319 op grind.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
grind , greant , grint
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
grind , grinte , Kleine keitjes. Eng. gravel. [In Twente is grinte het grofste van meel daar de bolsters uit zijn.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
grind , greante , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , grint
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grind , grend , grind; een grendweg
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
grind , grinte , grente , 1. grind. 2. stuk grond met grind erop.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
grind , grand , graand , granden , (wb, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook graand (bet. 2: Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. wand (be:Emm) 2. tweede soort meel, gebruikt als veevoeder (be:Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Vrogger koj graand kriegen. Daor zat koolzaod in, waor het vet uut was (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grind , grind , grinte , (in bet. 2.). Ook grinte (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. grind Wie hebben grind om deure (Eco), ...grind tegen het huus en de buren tegels (Erf), Grind broekt ze bie het beton maken (Bov) 2. soort van zemelen (Zuidoost-Drents zandgebied, wb) Aj vroeger met de buulkist zeefden, dan kwam eerst het meel, dan de grind en dan de zemels (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grind , grente , (Kampereiland, Kamperveen) grint
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
grind , grinte , 1. grind. 2. grove meelsoort.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
grind , grint , grent , zelfstandig naamwoord , et; grint, kiezels
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grind , grient , grind, kiezelstenen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal