elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haren

haren , haren , hoaren , den zeissen met een hamer op den platten kop van een ijzeren bout [ambelt, hoarspit.] scherpen. Een oud woord verwant aan het Got. hairus, zwaard. L. F. harje.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
haren , haren , is scherpen. Meest voor de zeis in gebruik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
haren , haren , (transitief werkwoord) , pikken, scherpen, kloppen, de zeissen scherpen. Als de grasmaaiers met het haartuig bezig zijn hunne zeissen te kloppen, dan zegt men: ze zijn aan het haren. Het is niet onaardig aan te hooren, wanneer des avonds op het gemaaide veld 5 à 6 haarhamers te gelijk in beweging worden gebragt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
haren , haren , scherpen van de zeis of zwade, Gron. hoaren. Friesch. harje, Neders. Holst. haaren, Noordfr. Ditmars. Eiderst. Deensch hare. – Ook = uutharen; zie ald.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
haren , [het uitvallen van haren] , haren , zie: uitharen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
haren , haren , (zwak werkwoord) , de zicht scherpen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
haren , hazen , (zwak werkwoord, intransitief) , Scherp zijn in de keel. Hetz. als haasten en haren; zie aldaar. || Die rook haast me in de keel. Als je zoveul zout in je soep doene begint ʼet in je keel te hazen. – Haasten is gebruikelijker dan hazen en haren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
haren , haren , (zwak werkwoord, intransitief) , Scherp zijn in de keel. Alleen in de uitdr. het haart in de keel (van rook, mist of damp, scherpe spijs en drank, enz., die de keel hees en droog maakt en aan het kuchen brengt). Gebruikelijker is in dezelfde zin het haast in de keel. Vgl. hazen en harig. – Haren in deze zin is ook elders in N.-Holl., in Friesl. en in Oost-Friesl. in gebruik en komt ook verderop in Duitsland voor (vgl. GRIMM, D. Wdb. IV1, 27 haaren). Wij vinden het reeds in het Mnl. en Mnd. (zie de wdbb.) en bij KIL. In de 17e. e. komt het o.a. voor bij HOOFT (zie OUDEJANS 3, 10, en Wdb. op Hooft 126. – In de uitdr. het haart er langs, het gaat er rakelings langs (het verschilt geen haar of het was raak). Haren in de zin van zeisen scherpen, vanwaar haarspit zie aldaar), is hetzelfde woord in transitief opvatting; vgl. FRANCK 340.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
haren , haasten , (zwak werkwoord, intransitief) , Scherp zijn in de keel. Hetz. als hazen en haren; zie aldaar. || Ik ken geen levertraan innemen, of ʼt begint in me keel te haasten. – Vgl. haasterig en haastig II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
haren , haaren , zwak werkwoord , scherpen van een zeis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
haren , haaren , Een zeis of zigt scherpen door middel van een daar toe geschikt ijzeren hamertje. [Met eenen haar-hamer op een haar-spit; men zegt ook de handen of lippen haren mij; de koe begint te haaren; haren en snaren; haeren is roepen, schreeuwen; bij Notkerus is haran: roepen, clamare.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
haren , hoarn , werkwoord, zwak , scherpen van de zeis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
haren , hùern , werkwoord, zwak , haar verliezen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
haren , haore , scherpen, wetten De zeis, de zicht haore De zeis, de sikkel wetten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
haren , hoaren , haren = een zeis scherpen op ’t hoarspit met de hoarhoamer
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
haren , hare , werkwoord , 1. Scherp zijn in de keel, o.a. door rook, damp, sterk gekruide spijzen. Vgl. hake en Fries heare. | ’t Haart m’n in m’n keel. 2. Wetten, scherpen. | Ik zel de zoin efkes hare. Zegswijze hare en wette ken de boer niet belette, als de arbeider de zeis gaat haren of wetten, gaat hij er even bij zitten en rust wat uit, hetgeen de boer nu eenmaal voor lief moet nemen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
haren , heren , bijvoeglijk naamwoord , Haren, van haar gemaakt, in de zegswijze in de heren hoed loupe, blootshoofds lopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
haren , hare , de zeis schaerp make. “Memme d’r aan howwe kán ik wál, már hare ni”.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
haren , haare , zeis of zicht met een hamer scherpen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
haren , haore , werkwoord , scherpen. Het scherpen van een zicht of een zèssie (zeis). Men gebruikt hiervoor het haorgetùig. Dat bestaat uit een speciale haarhamer met smalle eindrand en het haarspit, een soort aambeeldje waar de zicht opgelegd wordt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
haren , hare , werkwoord , scherp maken van een zeis (KRS: Lang; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 65). Zie hoofdstuk 4, punt 5:gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
haren , haeren , scherp maken van een zeis. Met een hamer (haerhamer) wordt op het snijvlak van de zeis geklopt; dat snijvlak wordt boven een klein aambeeld (haerspit) gehouden..
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
haren , haeren , haeren, ehaerd , scherp maken van de zeis; * op de haerspit werd de zeis met de haerhaemer scherp geklopt.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
haren , haoren , bijvoeglijk naamwoord , van haar Wij gebruukten vrogger een haoren zeve um roggemaal te zeven veur roggestoete (Ruw), Wij hebben een haoren kopstubber (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
haren , haoren , zwak werkwoord, onovergankelijk , uitharen, haar verliezen Dat wollen klied haort aordig (Nam), IJ moet de hond niet in de keuken doen, hie haort zo (Sle), Jonge, wat haor ie toch de leste tied (Noo), Zo boven de vieftig begunt ’n meinse al gauw wat te haoren (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
haren , haren , haeren, haoren , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook haeren (Zuidwest-Drenthe, noord), haoren (Noord-Drenthe) = haren, scherpen van een zeis Ik mout de zwao nog haoren (Vri), Nao ’t middagèten en ’s aovends as meien edaone was, kun ie vrogger aoveral het haren van de zenden heuren (Ruw), Goud haren kan haost gieneine meer (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
haren , haren , haoren, horen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook haoren (Noord-Drenthe), horen (Kop van Drenthe) = een pijnlijk gevoel geven, alsof er barstjes zitten As het schraol weer wordt, dan hoort je het gezicht en de handen soms zo (Eev), Het haart mij zo in het gezicht (Sle), Loop non niet met natte handen boeten, dolkies gaot dij de handen haoren (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
haren , haoren , de zeis met d’n haorhammer scherp maken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
haren , ären , (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) haren, een zeis scherpen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
haren , haern , scherpen van de zeis. Haern daor muj oe veur waern, mâr striekn en wettn, dât kan oe gien boer belettn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
haren , haoren , bijvoeglijk naamwoord , van haar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
haren , haoren , werkwoord , haren, verharen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
haren , heren , haeren , werkwoord , 1. haren: van een zeis 2. schrijnend en/of ruw zijn of worden van de huid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
haren , haare , hoare , de zeis scherpen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
haren , aore , scherpen van een zeis , de zèèsie wier geaord en dan konne z’r wir goed meej maaje = de zeis werd geslepen en dan konden ze er weer goed mee maaien-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
haren , hôre , haren, aanscherpen van een zeis
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
haren , haore , scherpen van de zeis
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
haren , haoren ,  haren , (werkwoord) , 1.scherpen van de zeis; 2. draden afhalen van bonen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
haren , hare , haartj, haardje, gehaardj , door hameren het snijblad van zeis of schop scherp maken , De zaegsel (de grote zeis) en de zich(t) (de kleine zeis) hare.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
haren , haore , werkwoord (zwak) , haore - haorde - gehaord , "scherpen (van snijdend gereedschap); geen vocaalkrimping; Van Beek - ""Hij wet op een zeissie, die 't horre nie kan verdraogen"", zegt men tegen iemand, die zit te zeuren en te kletsen. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958); Jan Naaijkens, Dès Jan Naaijkens - Dè's Biks – - 1992 – ; (1992): haore ww - scherpen; C. Verhoeven: HAREN (haore) overgankelijk werkwoord, een zeis of zicht scherp maken door met een spec. hamer het randje te pletten. Hiervoor werd een haargetouw gebruikt; z.a. WNT HAREN III - snijdend gereedschap - bepaaldelijk zeisen en zichten (pikken) - scherpen, door de snede op een aanbeeld met een hamertje uit te kloppen. Z.a. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HAREN- 'de snede van eene pik of zeisen scherp en dun kloppen met eenen haarhamer op eene haarkruin. "
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
haren , häöre , häörde – gehäörd , verharen (bij dieren)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal