elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hellig

hellig , hellig , verwoed, nijdig.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
hellig , hellig , boos, kwaad.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
hellig , hellîg , kwaad, boos, toornig; “hellig as ’n halve duvel.” Sprw. Hoe meer de iemen winnen, Hoe helleger zij binnen = hoe meer voorspoed iemand heeft, hoe minder genegen hij zal zijn om anderen te helpen. Gron. Overijs. hellig = zeer boos, driftig; Westf. hellig = woedend, Oudfr. helsch. HD. hellig = knorrig; Misshelligkeit = oneenigheid, twist.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hellig , hellig , (bijvoeglijk naamwoord) , boos.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
hellig , hellîg , kwaad, boos, toornig; ook: kwoad van hellîghaid = zeer boos. Ook Drentsch waar men een Spreekwoord heeft: Hoe meer de iemen winnen, Hoe helleger zij binnen; Overijselsch hellig = zeer boos, driftig; Geldersch helg = boos; Westfaalsch hellig = woedend, Oud-Friesch helsch; Hoogduitsch miszhellig = oneens zijn, krakeelend, enz. tegengestelde van: einhellig = eenstemmig, eensgezind. Van: Hall = schal, en: hallen = schallen, galmen, klinken; Oostfriesch hellîg = klinkend, toon gevend. (Bij v. Dale: hellig = boos, vergramd, toornig, alsook: helligheid, zonder er gewestelijk bij te voegen; toch zal het geen Nederlandsch zijn.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hellig , hellig , (bijvoeglijk naamwoord) , Boos, nijdig. ’k Bin hellig op u, rük maor in! Ak u dat ve(r)telle bink bange daj hellig op mîn wòt. Î mot u n(i)eet hellig maken. H(i)ee had ’n rooie kòp van helligheid.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hellig , hellig* , vergel. verhellegen *; ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hellig , hellĕch , boos.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hellig , hellig , (bijvoeglijk naamwoord) , Boos, nijdig. ’k Bin hellig op u, rük maor in! Ak u dat ve(r)telle bink bange daj hellig op mîn wòt. Ȋ mot u n(i)eet hellig maken. H(i)ee had ’n rooie kòp van helligheid.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hellig , helg , boos, nijdig. Nen helgen hoond: een nijdige hond. ’n Helg zwiäär: een bijna rijp zweer.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hellig , hellig , Boos, toornig in een hoogen graad. [Hier van daan: helligheid, hevige toorn; met iemand helligen: krakkeelen; zich verhelligen, zich met krakkeelen vermoejen, afmatten.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
hellig , helleg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , boos
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hellig , höllig , hortig (aete).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
hellig , hellig , kwaad, boos.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hellig , hellig , kwaad, boos.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hellig , hellig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. kwaad Ik wil mai der niet hellig om maoken (Row), As hij hellig in de kop wordt, spaart hij gien meinse (Bro), Met biggen kriegen hej nog wal ies een hellige mot (Sle), Hie is zo hellig as een zwien (Eev), ...een spin (Oos), Hij is wel zo hellig in de hoed (Vtm) 2. ontstoken (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Dei wond is hellig (Eco), IJ hebt die bloedvin hellig maakt door er nl. aan te krabben (Wes) *Hoe meer de iemen winnen, hoe helliger zij binnen hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid jegens anderen (dva), zie ook hels
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hellig , ellig , hellig, boos
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hellig , helleg , woedend. Mâr die keerl die slöt ’r nog veule helleger op.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hellig , hellig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. erg kwaad 2. enorm lawaaierig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hellig , ellig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , boos, nijdig, kwaad. Die is goed ellig. Zie ook: kwaod, lillijk, mieterig, niedig, nieds.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hellig , hellig , boos
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal