elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hobbel

hobbel , hōbbel , in: op hōbbel = an riddel = an zoes wezen = doorslaan, uit den band springen, uitspatten, op hol zijn. De beide eerste uitdrukkingen worden ook van meisjes gebezigd die zich buitensporig gedragen. Overijselsch: de boter is in de hobbel, wanneer, door een onweder, ’t niet boteren wil. Vgl.: hobbelig, en: hobbelpaard. Zie: riddel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hobbel , hobbel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In de uitdr. in de hobbel, in de war, vertist. || Wat zit die kloen (kluwen) in de hobbel. Drijlklossen in een hobbel, Hs. invent. (a° 1681), archief v. Krommenie. – In den hobbel komt ook bij vroegere Holl. schrijvers voor, b.v. bij WOLFF en DEKEN, Will. Leevend 6, 240: “Indien zy door een onzer puik extra Poëeten moest beschreeven worden, dan zou hy al rasch alles in den hobbel gegooid hebbenˮ. In Utrecht spreekt men van “de boel in de hobbel brengenˮ of “schoppenˮ. Zie verder DE JAGER, Freq. 1, 122.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hobbel , hobbel , Er is een spreekwijs: eene zaak in den hobbel gooijen, voor: eene zaak in de war brengen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
hobbel , hoebel , m , hobbel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hobbel , hobbel , de , hobbels , 1. hobbel Der zit een hobbels in de weg (Hol), ...almaol hobbels en bobbels in de weg (Mep), Ik bin vallen over die hobbel (Bal) 2. in op de hobbel de richting kwijt, in de war, op de loop Mien buurman kwamp mit ’t peerd op de hobbel op de loop (Ruw), Die meid het ok mal op de hobbel west die het een kind oplopen (Klv), Die man is glad op de hobbel met dat wief (Oos), Die is zo vaak op de hobbel die is nooit in hoes de hort op (Sle), Hij kwaamp op de hobbel op dreef (Noo), Daor is de hiele boel op de hobbel in de war, over de toeren (Zwe), Het weer is op de hobbel van slag (Sle), ’k Bin bange dat die jonge van oons helemaole op de hobbel komp op het verkeerde pad raakt (Die), ook an de hobbel op de loop (Zuidwest-Drenthe, zuid)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hobbel , hobbel , zelfstandig naamwoord , de; 1. oneffenheid 2. kleine tegenslag 3. ruzie 4. hobbelpaard met hekwerk 5. in in de hobbel in de war, malende, verkeerd lopend, met ruzie; ook in: op ’e hobbel een beetje gek, buiten zinnen, ook: weg, de hort op
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hobbel , hobbel , uitdrukking , Ze staon in d’n hobbel Ze hebben veel haast
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hobbel , obbel , (zelfstandig naamwoord) , hobbel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hobbel , hobbel , dijkovergang; hoger gelegen straatdeel (bijvoorbeeld: de Hoogt). Het is ’t tegenovergestelde van een zeegt
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal