elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: horrel

horrel , hōrrel , hōrltje , (Middagsterd. enz.), voor: plotselinge rijzing of daling der prijzen van granen of vee; dei hōrrel het mie geld köst; “d’r kwam ’n hōrltje ien zien finansies.” Vgl. hōrrelwind. (Drentsch horreltien = oogenblikje.); hōrreltje korte poos van groote inspanning, Vgl. hōrrelwind.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
horrel , hòrrel , hordel, hodel , (bijvoeglijk naamwoord) , Slecht in elkaar sluitend. Het wordt gezegd van voorwerpen, waarvan de deelen min of meer losgeraakt zijn, bv. ten gevolge van droogte.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
horrel , horrel , bijvoeglijk naamwoord , Dit wordt gebruikt van houtwerk, welk, door droogte te sterk gekrompen, kwalijk in elkander sluit. Inzonderheid is ’t in gebruik van kuipers werk. Een horrel vat.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
horrel , horrel , iets waar speling in zit (zie: rok).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
horrel , horrel , Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ik har mien verstaand èven op de horrel was het even kwijt (Flu), Ik gao èven op de horrel de hort op (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
horrel , horrelie , het , horrelies , (Kop van Drenthe) = ongelukje Hij het een horrelie holden (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
horrel , horrel , zelfstandig naamwoord , de; mismaakte voet, horrelvoet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
horrel , horrel , zelfstandig naamwoord , horrels , horreltie , bevlieging Dan hesse weer zôô’n horrel dasse hêêl d’n tijd op hôôge hakke wil lôôpe Dan heeft ze weer zo’n bevlieging dat ze steeds op hoge hakken wil lopen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
horrel , horrel , niet goed sluitend (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal