elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kallen

kallen , kallen , keuvelen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kallen , kallen , Keuvelen, kouten, babbelen, snateren, praten, spreken: ergens over kallen, wat lig ie toch te kallen. Het woord heeft ten platten lande nog die beteekenissen, welke het weleer in onze algemeene taal ook had en waarvan het nog overig is in het samengestelde raaskallen voor ijlen, razen, enz. Hooft, (Granida): ‘Daifilo, beidt wat, hoe? / ʼT en gaat ten hoof niet toe / Gelijk ghy u laat veurstaan. / En wilt zoo licht niet deurgaan / Met dat u wel gevalt. / Hoort hoe Palemon kalt, / Die zeidt dat hy verdoorde, / Toen hem de lust bekoorde / Van ʼt hof te volgen .........’ (Editie Bild. I. 14.) J. van der Veen: ‘O Maatje, nu praatje / Beter als stom; / Zie Gijsje en Lijsje / Die lachen er om; / Uw kallen en mallen / Dat hooren zij juist, / Nu grisselt dat volkjen / Al in ʼer vuist’ (Nederl. Liedeboek 1850, I. 45.) Van den Sacramente van Aemsterdam, blz. 8. ‘Doe ghinc hi heymelic mit sinnen / ende deedt den priester aldus bekinnen, / Wat mirakel daer was ghevallen. / Hi antwoerde: soe houtet binnen, / Des bid ic u mit rechter minnen, / Of men souder veel of callen.’ Het Latijn en Engelsch kent het voor roepen, Lat. calo, calare; Engelsch to call, roepen, aanslaan van een hond, kraaien van een haan. Kallen is verwant aan het oude galen, gallen, Hoogduitsch gällen, klinken, weergalmen, Engelsch to gale, zingen (van den nachtegaal) Angelsaksisch galan, zingen, dat in nachtegaal – Engelsch nightingale, Hoogduitsch nachtigall – eigenlijk nachtzanger beteekenende, en in het Bredaasch gellen, voor: geraas maken [Hoeufft in voce] nog voortleeft. Zie ook de aant. van van Hasselt op Kiliaan, blz. 276. Van kallen stamt het waarschijnlijk later gevormde kallooien af, voor: kletsen, babbelen, snappen, labben, van vrouwen gezegd, en het eveneens triviale kallooi, voor snapster, labbei, klappei, labbekak, babbeltoot, babbelkous, gebezigd van dusdanig vrouwvolk, ʼt welk te samen zijnde over alles wat los en vast is heenrabbelt, uit een onoverwinnelijke aandrift om te babbelen, een ieder over den hekel haalt of over de tong laat gaan en niemand laat passeeren, of hij moet een veêr laten zitten. Onze oud-hollandsche dichter Rotgans geeft in zijn Boerekermis, 1e boek, eene aanschouwelijke voorstelling van zooʼn kallooivereeniging; zie den 4den druk, van genoemd werk, blz. 15 en volg.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
kallen , kallen , praten.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
kallen , kallen , praten; laowi lük kallen, laten wij wat praten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kallen , kallen , voor: praten, keuvelen, in het rijm: Kiend, iend, wiend und Spientvat, Koom ien hoes en kal wat, Achter deur stait ’n zoepentien Mit ’n nap ’r ien, En drink wat. (Zouden deze regelen ook bedacht zijn ter wille van de uitspraak der i als ie in ’t Westerkwartier en Hunsegoo?); Kallen is mallen = proat is gijn pankouk, of: gijn jenever = praatjes vullen geen gaatjes, enz. Friesch kâltsjen = kouten; Overijselsch Geldersch kallen = snappen, bij het landvolk in de Ommelanden, (van Bolhuis; ook bij Clignett, Steenwinkel en de Malnoë). Kil. kallen, M.Stoke callen, Engelsch to call, Deensch at kalde; Middel-Hoogduitsch kallen: veel en luid spreken, zwetsen, enz. Bij Hooft: kalkunde = welsprekendheid; kalzucht = babbelzucht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kallen , kallen , Wordt ten plattelande voor praten gebruikt. Het woord is bekend genoeg. Bij Slichtenh. Geld. Gesch. bl. A 12 vindt men kallinge.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kallen , kalle , werkwoord , Kletsen, babbelen. Vgl. Nederlands raaskallen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kallen , [praten] , kalle , kaltj, kaldje, gekaldj , praten , Doe höbs good kalle. Es d’r de kael gesmieërdj haet, kan d’r waal kalle: als hij dronken is, praat hij honderduit. Hel kalle. Van zich aaf kalle: zich mondeling verweren. Ze kónne baeter uuever dich kalle den van dich aete.: zich mondeling verweren. Ze kónne baeter uuever dich kalle den van dich aete.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal