elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kanthaak

kanthaak , kanthaken , Alleen gebruikelijk, zo veel ik weet, in deze eene spreekwijs. Iets bij de kanthaken krijgen, voor iets bij de hand of in gereedheid krijgen of iets aanvatten. In een boertenden stijl.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kanthaak , kanthaken , Alleen gebruikelijk, zo veel ik weet, in deze eene spreekwijs. Iets bij de kanthaken krijgen, voor iets bij de hand of in gereedheid krijgen of iets aanvatten. In een boertenden stijl.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kanthaak , kaanthaoke , zelfstandig naamwoord , de; kantelhaak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal