elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kieps

kieps , [muts] , kipse , meisjeskindermuts. pl. d. vrouwenmuts.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kieps , kips , pet.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
kieps , kipse , vrouwelijk , wintermuts
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kieps , kipze , Muts. In den boertenden stijl.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kieps , kipse , (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) muts voor kleine meisjes
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kieps , kiepse , zelfstandig naamwoord , de; 1. oorijzerhoedje 2. vreemde hoed of muts 3. schepkorf; kiepske, et 1. bep. hoed voor vrouwen, vrij hoog, met lint onder de kin vastgestrikt 2. oorijzerhoedje 3. schertsend voor hoofddeksel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal