elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kif

kif , kif , Eiken schors, run, die gemalen en op de looierijen wordt gebruikt, om er de huiden meê te bestrooien en die gaar te doen worden, en als ze daar uitgediend heeft, gebruikt wordt om er de tuinpaden meê te bedekken, en eindelijk, op een hoop of bult vereenigd en vermolmd zijnde, een zeer goede, hoewel losse turfsoort oplevert.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
kif , kif , (onzijdig) , gemalen of gebruikte run.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kif , kif , run, gemalen eikenschors dat uit de looierskuip komt en hier, evenals in Gelderland veel gebezigd wordt tot bestrooiing van tuinpaden; ook Friesch, Geldersch, Oostfriesch, Nedersaksisch. Verwant met: kaf, en: kauwen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kif , kif , (onzijdig) , Gebruikte run.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kif , kif* , ook Nederlandsch, Hoogduitsch Kiff.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kif , kif , (onzijdig) , Gebruikte run. Ook: ruzie.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kif , kif , onzijdig , Gemaalen eek, door de loojers gebruikt wordende. In Holland zegt men run. Kiliaan heeft rund, rind, enz.: cortex. Kif is foem. gen. [In Twente neutr. gen. Vermoedelijk moeten de laatste twee woorden aldus gelezen worden; zij zijn evenwel zeer onduidelijk.]. [Kif is eek dien de loojers al gebruikt hebben en daar de kracht uit is, althans in Twente.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kif , kif , het , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = fijne stukjes stro of hout As de moezen het stro kepot evrèten harren dan was het kif (Ruw), Ze hebt kif veur het hoes streid houtsnippers (Hoh), zie ook kiffel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kif , kif , zelfstandig naamwoord , de; 1. kleine stukjes schors 2. kleine stukjes, stofachtige resten door slijten van stro ontstaan 3. afgunst, jaloezie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal