elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klik

klik , klikke , zie: klikker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klik , klik , klak , fig. voor: klad, klak, in: iemand ’n klik geven = ’n klik in ’t gad geven = bekladden, belasteren, eene smet aanwrijven, Holsteinsch klakken; Nedersaksisch klak, klaks = vlek, schandvlek. Vgl. klar 2, en zie ook: klikker. Ook in ’t West-Vlaamsch wisselt soms k met t: gork = gort; spelke = spelte; sporke = sporte; rijk = rijt; workel = wortel, enz. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klik , klik , Wanneer twee jongens een ruiling aangaan, wordt deze bezegeld doordien een van hen zegt: “Eerst gegeven, toen genomen, klik zei de bel, marsch naar de hel!” (Op zʼn Holl. uitgespr.) Vervolgens trekt de spreker zich een haartje uit, spuugt er op en werpt het weg.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
klik , klik , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de webb. – Ook: 1) Een blikken of verlakte tuitkan voor olie. Ook in de samenst. olieklik. Synon. (olie)klit en (olie)kit. Men heeft twee soorten van oliekannen; de ene soort, die naar onderen wijd uitloopt en dus de vorm van een afgeknotte kegel heeft, heet klik of klit; de andere is cilindervormig, maar loopt bovenaan naar de stop schuin toe, en heet kit. Dit onderscheid in benaming wordt echter slechts door sommigen gemaakt; de meesten kennen maar één naam en gebruiken die voor oliekan in ’t algemeen. || Geef de klik ers an. 2) De hiel van een fles, het holle gedeelte onder in de voet. || Wat zit er ’en grote klik in die fles. – Vgl. klip.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klik , klik , Wanneer twee jongens een ruiling aangaan, wordt deze bezegeld doordien een van hen zegt: “Eerst gegeven, toen genomen, klik zei de bel, marsch naar de hel!” (Op z’n Holl. uitgespr.) Vervolgens trekt de spreker zich een haartje uit, spuugt er op en werpt het weg.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
klik , klik , Op ’t half kwartier hoort men te Zutphen een of twee kleine klokslagjes, en dit noemt men klik. Dus zegt men bij voorb. klik voor zeven. Vergelijk Kiliaan op klick.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
klik , klikke , zelfstandig naamwoord , Dit woord gebruikt men, om een stijf onbeschaafd vrouwspersoon uit te drukken. Misschien komt het bij overdragt van klick bij Kiliaan clava. Veeltijds voegt men er het adjectivum heel bij, en zegt een heele klikke.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
klik , klik , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = laster En dan kriej later nog ’n klik nao ook (Hgv), Ze hebben heur ain beste klik naogeven (Vtm), zie ook klak
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klik , klik , (Kampen) tik van de klok in de Nieuwe Toren van Kampen op elke 7½ minuut vóór en na de hele en halve uren, bijv. Gunninks woordenlijst van 1908: klik veur îêne ‘klik voor één’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klik , klikkien , zelfstandig naamwoord , et; kleine klik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klik , klik , zelfstandig naamwoord , klikke , klikkie , [O] (houten) hak van een schoen of muil (die ‘klikt’ bij het raken van de grond)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal