elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klunderen

klunderen , klundêrn , klōndêrn , stommelen, wanneer het met een bonzend geluid vergezeld gaat, een rommelend geluid dat slechts kort duurt, bv. wanneer turven op een’ zolder neervallen; geklunder = een luid gestommel, dreunend alarm; “de boeren mennen dat ’t klundert.” Kinderen hebben bij het, met sprongen, tellen tot honderd, het toevoegsel: schit in de pot dat ’t klōndert (de ō om ’t rijm.) Drentsch klundern = geraas maken, stommelen; Kil. klunderen = stooten, stompen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klunderen , klōndern , zie klundern *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klunderen , klunderen , Een boertig woord, welk ik niet dan in zijn gebruik weet te omschrijven. Hij liet het braaf klunderen, zegt men ten naasten bij in den zelfden zin als: hij smeet braaf drek aan den want, of diergelijk. Van iemand die zijn zaken laat in ’t war lopen, of dien men van gebrek aan omzigtigheid beschuldigen wil zegt men ook: hij laat het maar klunderen, enz. [In Twente wordt klunderen gebruikt voor water of ander vocht, ’t welk ergens uitloopt en dat doende enig geluid maakt; van eenen mensch die onbedachtzaam en veel spreekt en dus ook veel verhaalt dat hij behoorde te zwijgen, of dan zelfs vele onwaarheid vertelt zegt men ook: hoe laat hij ’t weer klunderen.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
klunderen , klontern , met onnodig lawaai door het huis lopen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klunderen , klundern , klondern , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe, dva). Ook klondern (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. lawaai maken Hij zat op de zolder te klundern (Row), De jonges klondern over de beun (Nor), As kwaojongen mugden wai graog het ies op sloden intrappen en dat klunderde zo mooi (Eev), Het klundert deur de locht (Anl), Albert sluig met de aschschop op de deur dat het klunderde as ’n schot (dva:Kop van Drenthe) 2. gooien (Zuidoost-Drents zandgebied) Zie het alles deur mekaar klunderd, waorum bargt ze het niet op! (Sle) 3. als nieuwtje door het dorp gaan (Midden-Drenthe) Dat neigie klundert deur Gasselte! (Gas) *Het klondert hum in de boks dat het dondert (Hoh), Honderd! Schiet je in de boks, dat het klondert! (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klunderen , klunderen , werkwoord , 1. lawaai maken door heen en weer te rukken, ook: door met een hamer te slaan e.d., vandaar ook: timmeren, afbreken 2. lawaaierig gaan, met name door het geluid dat klompen maken bij het lopen 3. schoppende bewegingen maken: door paarden in de stal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal