elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koert

koert , koert , (mannelijk) , toren-koert, torenwachter. Kil. koer, koer-torn, koer-wachter. L. F. koeren, turen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
koert , koert , Koer, koer-torn : specula, en koer-wachter: speculator bij Kiliaan. De toornwagters te Deventer, thans voor een trompetter verwisseld, droegen nog voor weinig Jaaren den naam van koerts en zij bliezen op een hoorn. Een herberg niet ver van de stad, weleer, gelijk nog te zien is, tot een Wagttoren gediend hebbende, heet nog heden ’t Koer-huis. Kerk. en Wereltl. Deventer bl. 25.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal