elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kreunen

kreunen , kronen , twisten. W. 251. L. F. kreune, morren, stenen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kreunen , kreunen , zacht kermen, stenen. Hooft: kermen en kreunen; Kil. kronen, groonen, Engelsch to groan = zuchten. (Weil. kreunen, een slepend, zacht, droevig geluid door den neus maken; v. Dale: een slepend, zacht, droevig geluid maken, zuchten.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kreunen , krönnen , zwak werkwoord , kreunen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kreunen , kreunen , Kermen, zugten. Kiliaan heeft kreunen, kronen, groonen: conqueri, kronen: gemere.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kreunen , greune , werkwoord , (Behaaglijk) kreunen, o.a. gezegd van herkauwende koeien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kreunen , krunen , kreunen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kreunen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. kreunen Zien beein dee hum slim zeer, hie lag te kreunen op de grond (Eex), De koe lag al een hiele tied te kreunen op stal tegen het kalven (Mep), Die ko is zeek hij döt niks as kreunen (Rui), Hie hef niet hukkerd of kruund geen kik gegeven (Sle) 2. zeurend klagen (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) Hij hef altied wat te stennen en te kreunen (Zdw), Hai het zuk op doemen houwen, hai dut niks as kreunen en kraoken (Vtm) *Een kreunende koe krig nog wel ies wat (Hol), ...al is het mor een slag mit de gaffel iemand die maar blijft vragen, krijgt nog wel eens wat, al is het soms niet veel (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kreunen , kreunen , kreunen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kreunen , kreunen , werkwoord , 1. kreunen 2. zeuren, zaniken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kreunen , kreune , zelfstandig naamwoord , kreunen; Dialectenquête 1887 Willems - kreune - krunde - gekrund - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij krunt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal