elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kreute

kreute , [iets kleins] , kreute , (onzijdig) , een klein, maar slim en boos ventje. Hd. kröte, pad.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kreute , [anus, spleet] , kreute , (vrouwelijk) , podex. Pl. d. krete, spleet.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kreute , [klein persoon] , kreut , klein persoon, klein kind. Gron. kreute = wat bijzonder klein is in zijne soort, van vruchten, enz. en ook in minachtenden zin van zeer kleine kinderen, waarin groei noch bloei is. Oostfr. kröte = pad (HD. Kröte, Kil. krodde = kikvorsch), ook = klein persoontje; oorspronkelijk zooveel als een verschrompeld, onvolgroeid gebleven ding; Neders. kröte, lütje kröte = klein, maar boosaardig persoontje; Holst. kröt = lichtgeraakt, boosaardig mensch; Westf. krotte = klein kind; Noordfr. krät = een verkommerd ding, verachtelijk van menschen en dieren; Ditmars. kraetending = klein ding (mensch of dier).
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kreute , [iets kleins] , krö̀te , kräote , (vrouwelijk) , klein mensch.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kreute , kreute , (Oldampt) = wat bijzonder klein is in zijne soort; ʼn kreute van ʼn appel; ʼt bin kreuten = ʼt is kriel, uitschot. Ook in minachtenden zin van zeer kleine kinderen, die niet merkbaar groeien. – West-Vlaamsch kreute, krutte, krok = kindje, klein kind, Fransch petit enfant, bambin, marmot. (De Bo). Oostfriesch krȫte, krȫt (Hoogduitsch Kröte), fig. voor: kleine kinderen, kleine dingen, en allerlei klein goedje, ook voor kleine munten; Drentsch kreut = klein persoon, klein kind; Nedersaksisch kröte, lütje kröte = klein, maar boosaardig persoontje; Holsteinsch kröt = lichtgeraakt, boosaardig mensch; Westfaalsch krotte = klein kind; Noordfriesch krāt = een verkommerd ding, verachtelijk van menschen en dieren; Ditmarssum kraetending = klein ding (mensch of dier). Het Nedersaksisch en Holsteinsch kröte, Middel-Nederduitsch krode, Kil. Middel-Vlaamsch krodde, Oud-Hoogduitsch krota, chrota, crëta, chrëta, Middel-Hoogduitsch krote, krotte, krot = pad; het Zweedsche groda, Noorweegsch gro (kikvorsch; pad) zou uit het Nederduitsch krode overgenomen zijn. Volgens ten Doornk. verwant met het Oud-Hoogduitsche chrot, crot, Middel-Hoogduitsch krot, krut = bezwaar, last, verdriet, enz., daar de kikvorsch met slangen en dergelijk gevaarlijk ongedierte op ééne lijn werd geplaatst.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kreute , krö̀te , (ö̀ bijna als: äo). Achterste. Van een boer met een holle kies, die al te letterlijk het bevel van den dokter opvolgde, die hem zeide, dat hij wat peper in ʼt gat moest stoppen, vertelt men, dat hij later placht te zeggen: Tan(d)pîne is gîn pîne, maor pèper in de kräote, das pîne.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kreute , [achterste] , krö̀te , (ö̀ bijna als äo). Achterste. Van een boer met een holle kies, die al te letterlijk het bevel van den dokter opvolgde, die hem zeide, dat hij wat peper in het gat moest stoppen, vertelt men, dat hij later placht te zeggen: Tampîne is gîn pîne, maor pèper in de kräote, das pîne.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kreute , kreute , (een). Wordt een kribbig mensch genoemd. Men zegt: het is een kreute van een keerel voor: het is een kribbig karel.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
kreute , kröte , naar, vervelend kind.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kreute , kröate , een naar, vervelend kind.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kreute , kreut , kreute, kreude , het , kreuten , (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook kreute (Zuidwest-Drenthe, zuid), kreude (Kop van Drenthe) = 1. klein mens of dier Wat is dat jong toch ’n kreutien bleven! (Pdh), Wat is dat ’n klain kreudie van een wiefie (Zui), Gao weg kreut! (Eri), Wat is het een lief kreut een lief kind (Hgv), Een vooltie dat wat klein oetvaalt is een kreude (Nor) 2. (Kop van Drenthe), in Zo zoer as kreut erg zuur (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kreute , [klein kind] , kröte , (zelfstandig naamwoord) , klein kind.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal