elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: laakpaal

laakpaal , laak-paal , Grens-paal. Een paal, om de afscheiding van twee landen uit te perken. Ook gebruiken wij het verbum laken, om de rigting van de grenzen uit te drukken. Bij voorb. De paal A laakt op den paal B, dat is, een lijn, tusschen de paalen A en B getrokken, wijst de grenzen aan. Lae, lag, lags, lax, Leges, quasi qua legem dat de confinibus. Gloss. Teut. Schilteri.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
laakpaal , loakepoal , zelfstandig naamwoord , grenspaal van de oude marke
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal