elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: laar

laar , laor , (onzijdig) , meest in eigennamen van heerenhuizen: het Laor, ’t Oaverlaor, Meddelaor, Laoren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
laar , laar , Flaauwhartig. Kiliaan heeft laere, inanis, vacuus, en de flaauwhartigheid is wel een uitwerkzel van een ledige maag.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
laar , laar , open veld, open plek in het bos.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
laar , laar , open veld
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal