elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loens

loens , loensch , Tw. gluipsch, valsch. Isl. at luma a, iets stil en heimelijk bewaren.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
loens , loensch , Wantrouwig, ontwijkend, gluipsch, idem Overijselsch, Groningsch loensk, luimig, koppig, Friesch lunnsk, op eene geheime wijze, hetwelk de heer Hettema met het IJslandsche laun: heimelijk, vergelijkt, de Vrije Fries, I. 178. Het woord stemt overeen met het Hoogduitsche launisch, stuursch, grillig; loensch is verwant aan loenen, dat in eenige dialekten aangetroffen wordt en de beteekenis heeft van luimen: Zwolsch, ‘het loent hem niet,’ het behaagt, vlijt hem niet, staat hem niet aan, komt met zijn luim niet overeen. In het Nedersaksisch is lunen, zuur zien, en lunsk wordt daar gezegd van iemand die er schalkachtig uitziet door zijne oogen schuins naar de hoeken te trekken. Vergelijk Weiland op loensch. Ook luimen, van luim, komt met loenen overeen, Hoogduitsch Laune, luim, humeur en lonk, lonken, van ter zijde zien, is hieraan almede verwant. – Deze beteekenis van loensch wijkt af van die, welke het in onze algemeene taal heeft, n. l. scheel, in een lichten graad. Naar aanleiding van het door den Hoogleeraar Ypey behandelde woord geluni in een der door hem verklaarde Nederduitsche Psalmen uit den Karolingischen tijd voorkomende, (zie Taalk. Mag. I. 83,) deelde de heer Halbertsma in den Overijsselschen Alm. v. Oudh. en Lett. van 1838 een uittreksel uit zijn onuitgegeven Friesch Lexicon mede, waarbij hij dat woord in verband brengt met het Friesche werkwoord lüenje, behagen, hetwelk met het hier besprokene loenen overeen stemt; zie verder dien Almanak, blz. 286.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
loens , lûnsch , (bijvoeglijk naamwoord) , nukkig, valsch, niet oprecht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
loens , loens , loensk , luimig, nukkig, koppig, verdrietig, nijdig; Friesch luensk = spijtig, slepend, vleiend, waarachter spot verborgen is; Oostfriesch lûnsk = luimig; Noordfriesch, Deensch lumsk = boos, snood, arglistig, nukkig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
loens , loens , (bijwoord) , Bij het touwtje springen. Loens in de bocht kommen, tegen de bocht in, averechts inkomen (Krommenie). || ’t Is moeilijker er loens in te kommen as recht. – Ned. loens is een weinig scheel (van gezicht); zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
loens , lůůns , loens, vals
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
loens , loensch , Ik weet niets beter, om den zin van dit adjectivum uit te drukken, dan ’t barbaarsche woord traiteragtig. Men gebruikt het dikwijls van honden, ook wel van menschen. Kiliaan heeft: loen, homo stupidus etc., doch in die beteekenis ken ik ons woord niet.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
loens , loens , loensk, luunsk, luuns , bijvoeglijk naamwoord , In Zuidoost-Drents veengebied ook loensk, luunsk of luuns (bet. 2.) = 1. enigszins scheel Mit het linkeroge kik hij wat loens (Die) 2. vals, gemeen, louche (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) Hie kik zo loens oet (Sle), Doe most dei hond heil anders anpakken, nich zoveul op hum schelden en slaon, dan wordt e net zo luunsk (Bco), Hij is zo loens as e laank is (Hijk), Het is wel wat een loense figuur (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loens , loens , de , loenzen , (Midden-Drenthe) = gemeen individu Dat is een loens (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loens , luuns , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents veengebied) = bang, schrikachtig Wat kik die vent luuns uut, hij zal wal wat op zien donder had hebben (Klv), Een luunse hond (Nsch), Kiek toch nich zo luuns (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loens , loens , bijvoeglijk naamwoord , enigszins scheel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal