elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lumieren

lumieren , lemieren , klemieren , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast soms klemieren. Alleen in de uitdr. met het lemieren van de dag, met het krieken, het ochtendgloren. || Mit ’et lemieren van de dag zat-i al te vissen. – Ook elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 282). De uitdr. komt ook voor bij VAN RIEBEEK, Dagverhaal 1, 246: “Saterdach den 4en (Oct. 1653) met lemieren van den dagh bevonden we ons tusschen ’t Dasseneylandt ende ’t vaste lant te wesen”. Bij VAN DALE wordt vermeld “het lumieren van den dag”. – Vgl. Fra. lumière, licht. In het Mnl. is lemiere, lumiere gebruikelijk in de zin van lichtgat in het vizier van een helm.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lumieren , lumieren , Spreekwijs: met het lumieren van den dag, dat is: met het aanbreken.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal