elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mark

mark , marke , een groot veld van, heide- en grasgronden, die in gemeenschap bezeten en gebruikt worden door de omliggende boeren. Zie gewoarde. A. S. Isl. enz. mark, grenspaal. Voluit aard-mark, grondomtrek, Gl. Rb. M. erdmarcha, territorium.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
mark , markt , markte, marke, maarkt, mark, maark ,  onzijdig , onverdeelde heidevelden. Dr. Landr. (1712) III, 86: gemeene Markte; id. (1608) III, 32: in de marke (ook Markten) gelegen; – 44: gemeene marcken. Ook in Westerw. (Gron.) waar er nog enkele worden aangetroffen. Het register der aandeelen, woardijlen, staat in het boerbouk opgeteekend. De verdeeling dier velden aldaar dagteekent van de laatste 60 jaren.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mark , mark , (mannelijk) , mark (geldstuk).
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
mark , mark , (vrouwelijk) , mark (geldstuk).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mark , mark , (vrouwelijk) , mark, onverdeelde grond; markengronden, markenwègen; markenrichter.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mark , marke , markte , (Westerwoldsch), in geschrifte: markte; de onverdeelde gronden, zooals nog enkele in Westerwolde worden aangetroffen. De verdeeling dier velden, meestal heidegrond, dagteekent van de laatste 60 jaren. Het register der aandeelen, woardijlen, staat in het boerbouk opgeteekend. Drentsch markt, markte, marke = onverdeelde heidevelden. “Het groote Frankische rijk was in den tijd van Karel den Groote verdeeld in gouwen (pagi, provinciae) en deze weder onderverdeeld in centenae (vicara). Met de centenae valt samen de marca, een naam, die op den huidigen dag, zoowel in Drente, alsook in andere streken, is bewaard (Mr. Seerp Gratama, Proefschrift bl. 10, 11.) Dr. Landr. (1712) III, 86: gemeene Markte; Dr. Landr. (1608) III, 32: in de marke, ook Markten, gelegen; Dr. Landr. 44: gemeene marcken. Hetzelfde woord als: mark, Nederlandsch merk, herkenningsteeken; Hoogduitsch Mark, Gothisch Oud-Hoogdutisch marka, Oud-Saksisch, Middel-Hoogduitsch marke = grens, grensscheiding, inzonderheid de grenzen van een klein gebied, alsook eene binnen zijne grenzen besloten of aan die grenzen palende landstreek, een grensland, bv.: Steiermark, Mark Brandenburg, der Altmark, enz. alsook de titel: Markgraaf. Zie ook Kil. art. marck, en: mark 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mark , mark , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Steeds in het meerv. de Marken, als naam van een aantal stukken land. Deze marken zijn wel oorspronkelijk landerijen geweest, die aan de gemeenschap toebehoorden, evenals de marken in Friesl. en elders. Het blijkt niet in welke eeuw het oude verband is opgeheven. Stukken in de marken gelegen heten ook het markenland, de marcksven, het markentje, enz. || Te Assendelft: Jacob Lyclaesen marcken (in Lyclasen-weer), Stoelb. Assend. f° 21 v° (einde 16de e.), Dirck Maertsz., ’t marckentgen (in Steffens-weer), ald. f° 23 v°. Trijn Heynen marckentgen (in Langelaander-weer), ald., f° 24 r°. Roeloff Zymons, die marcken (in Symons-weer), ald. f° 26 r°. Een stucke landts genaempt tmarckentgen leggende in Symon Tijten-weer, Hs. U. 19, f° 73 r° (a° 1579) prov. archief. Een stucke landts genaempt marcx ven, Hs. U. 20, f° 225 r° (a° 1584), aldaar. Een stucke landts genaempt tmarkenlantgen, ald., f° 249 r° (a° 1584). Dat marckentgen, Polderl. Assend. I f° 110 r° (a° 1600). Die marcken, ald., f° 120 r°. Maerkelant aende wech, ald., f° 120 r° (a° 1600). Cornelis Miewessen, de marckes ven; Cornelis Heyndricksen, de marckes veen (in Jan Jacob Coppes-weer); de marcken op de Kayck, Maatb. Assend. (a° 1635). – Te Krommenie: ’t Markentje (op het Weiver), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 122. – Vgl. verder de Marken benoorden Knollendam bij het dorp Marken-binnen. || Cornelis Dircksz. Blom, woonende op de Marcken inden banne van Uytgeest, Weeskamerboek W5 f° 48 v° (a° 1670), archief v. Krommenie.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mark , marken , Zie holting.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
mark , marke , (ouderwets), gemeenschappelijk grondbezit, verdeeld in waardelen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mark , marke , maarke, markt, markte , de , marken , (veroud., niet Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied). Ook maarke (Zuidwest-Drenthe, zuid, Ros), markt en markte (wm) = 1. marke, gemeenschappelijk bezit van bewoners van een bepaald gebied Die grond heurt nog an de marke van Norg (Wtv), De marke Stienbargen hef nog onverdielde grond (Zdw), Hij hef nog een stokkien laand liggen ien de maarke van Oldenhaove (Rui), z. ook bij boer(schup) 2. onverdeelde heidevelden (wm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mark , mark , de , marken , Duitse munt De Duutse mark stiet stark (Schl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mark , mark , zelfstandig naamwoord , de; eerdere Duitse munteenheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mark , marke , zelfstandig naamwoord , de; bep. gronden in gemeenschappelijk bezit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mark , mark , marke , markegrond, grond die in gemeenschappelijk bezit is.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal