elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: molferen

molferen , molferen , anders scheppen genoemd, is eene zekere hoeveelheid van het ter maling aangebragte koren of graan (zôad) inhouden, in plaats van maalloon te vorderen. Vergelijk voorts mijn Overijselsch taaleigen op molster en molsteren, en de daar aangehaalde schrijvers, alsmede ten Kate, Aenl., II 291.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
molferen , molferen , Een molenaar hier ten platten lande neemt geen geld voor het malen van der landlieden koorn, maar hij molfert, dat is hij schept een zeker gedeelte uit het ter male gebragte zaad en behoudt dat als zijne belooning voor zich. Eigenlijk moest het molsteren zijn, want ik vind bij Kiliaan: molster, molter, pretium molarium etc. [Molsteren is ook gebruikelik; molfer-kiste, dus kiste daar de muller zijn koorn in doet; molfer-vat, vat daar hij dat koorn mede uit den romp schept; molfer-zaad is dat koorn zelf; molfer-vrij is iemand wiens koorn niet mag gemolferd worden.] Op sommige plaatsen zegt men hogten.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal