elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mort

mort , mort , (mòrt) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Minachtende benaming voor slager. Ook als scheldnaam in gebruik. || Jongens, deer (daar) komt de mort an. – Vgl. morten, Oost-Fri. murtjen, doden, slachten, op kielemorten, en zie mortje-frik. – Ook als bijvoeglijk naamwoord Dood. || Hij is mort. - Vgl. mortje-frik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mort , mort , Zeer, valde, bij voorb. mort ziek, mort lekker. Veel bij de boeren in gebruik; in de stad hoort men ’t weinig, en niet dan onder ’t lage gemeen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
mort , mort , zelfstandig naamwoord de , 1. Oude zeug (verouderd). 2. Oud, lelijk wijf, morsebel (verouderd). Verkleinvorm mortje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal