elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mots

mots , [soort pijp] , motse , boerenpijpje zonder hak. Eig. brander. Fine motse, fraai doorgebrand pijpje. Fiin is hier fraai zoo als Eng. fine. Holl. mutse, vlam eener blinde liefde. Mutsaard, brandstapel. Eng. match, lont. N. S. metze, een groot kanon.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
mots , [draaitol] , motse , (vrouwelijk) , draaitol.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mots , motse , (vrouwelijk) , korte afgebroken pijp, vroeger een kort aarden pijpje.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mots , motze , De Twentsche schippers geven dezen naam aan eenen zeer wijden overbroek die zij, varende, over hun anderen broek heen trekken.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal