elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nijds

nijds , niedsch , Hevig, ruw hard, onbesuisd, krachtig, geweldig, onbehouwen, lomp, vinnig, bij v. ‘iemand ’en niedschen slag geven,’ d.i. een slag, die door nijd en kwaadaardigheid wordt bestierd, en dus alles behalven malsch en verschoonend neêrkomt; Duitsch neidisch. Holl. nijd.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
nijds , nieds , vurig, met kracht, vinnig; “wee had ooit edacht, dat zoo’n meistertien as ie zoo nieds op de legge kon houen.” Gron. niets, nieds, nietsk; ’n neidse slag = een slag die doordringt, een gevoelige slag, een die aankomt. Overijs. nijsch arbeiden = met drift werken; ook ZBrab. – Neders. Holst. niedsk in ’t eten, niedske kolde, niedsk schreien; Westf. nitsch = snel gezwind. Ontstaan uit: heetsk, zooveel als: hitsig, driftig, vurig, met voorgevoegd lidw.: een heetsk werd: ’n heetsk, needs, en zoo: nieds.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nijds , [krachtig, driftig] , nîdsch , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , krachtig; met ijver.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nijds , niets , nietsk, nieds , vinnig, nijdig, fel, in: ’n nietse slag = een slag die doordringt; hij haut zoo niets = zijne slagen doen pijn; hij dut nietse streken, nl. op schaatsen, zooveel als: hij komt snel vooruit. Drentsch nieds houen = aan ’t gevoel komen; Overijselsch niedsch = gluiperig, valsch, kwaadaardig; Geldersch nijsch arbeiden = met drift werken, ook Zuid-Brabantsch; Nedersaksisch, Holsteinsch: niedsk in ’t eten, niedske kolde, niedsk schreien; Westfaalsch nitsch = snel, gezwind. (Het Nedersaksisch Wbk. zegt, dat het ten onrechte van: nied, (Nederlandsch nijd), wordt afgeleid, maar uit: heetsk = hitsig, door voorvoeging van het lidwoord een, zal ontstaan zijn. Bij v. Dale: nijdsch, bijvoeglijk naamwoord weinig gebruikelijk = toornig, hevig, sterk, hard.)
nieds, zie: nibbel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nijds , nîts , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Driftig, opvliegend, plotseling. ʼn Nîtse kérel. Îmand nîts anpakken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
nijds , nîts , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Driftig, opvliegend, plotseling, ʼn Nîtse k(i)eerel. Îmand nîts anpakken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
nijds , niets , snel, vinnig. Niets loopen: heel hard lopen; niets koold: vinnig koud
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nijds , nijdsch , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ik twijffel niet of dit komt, zo wel als nijdig, van nijd af, doch de betekenis is zeer verschillend. Men gebruikt het vooral van iemand, die een ander buiten reden pijn aandoet. De kinderen, met elkander stoeiende, beschuldigd de een den ander niet zelden van nijdsch te zijn of nijdsch te speelen. Evenwel is de modificatie van buiten reden niet altoos in het denkbeeld aan dit woord gehegt; men zegt ook, hij sloeg er nijdsch op in ’t gemeen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
nijds , niets , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , vlug, overhaast, heftig, nijdig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nijds , niets , fel, temperamentvol.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nijds , nieds , niedske, niedskig, niedsem, niedsig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook niedske (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), niedskig (Zuidoost-Drents veengebied, als bn.), niedsem (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), niedsig (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. vinnig, fel, vlug Het is een klein kereltien, mor hij is zo nieds as de pest (Sle), Hij houwde nieds van hum of (Hgv), Hij dreeide hum zo niedsum umme, dat hij ondersteboven gunk met snelle beweging (Rui), Ie mut niet zo nieds antrekken; dat touwgien, het knapt zo of (Zdw), Het regent niedske hard (Bov) 2. bits (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) Hie kan zo nieds veur ’n dag kommen (Gas), Hij gaf een bar nieds antwoord (Ndo) 3. klein (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij is maor een niedsem kereltien, maor hij kan wel uut de wege (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nijds , nieds , driftig, venijnig, kribbig. Det is een nieds kereltien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nijds , niets , 1. nijdig, kortaf. Dât is ’n niets keerltie. 2. heftig. ’t Begun onverwachs zo niets te rèègn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nijds , nieds , niedsig , 1. snel; 2. driftig; 3. kortaf; 4. nijdig, afgunstig, jaloers; 5. arrogant; 6. vlug, handig; 7. ijverig, ingespannen; 8. fel, uitbundig; niedskop, driftkop.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal