elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ogenklaar

ogenklaar , [zonneklaar] , oogenklaor , (onzijdig) , stinkende gouwe, chelidenium maius.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ogenklaar , oogenkloar* , ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ogenklaar , oogenklaar , Chelidonium majus. Stinkende gouwe, schellekruid.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
ogenklaar , t ogenkloar , stinkende gouwe (plant)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ogenklaar , ogenklaor , het , stinkende gouwe, Chelidonium majus, plant tegen galstenen (Midden-Drenthe) en tegen wratten (Kop van Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ogenklaar , ogenklöör , (zelfstandig naamwoord) , ogentroost, stinkende gouwe (chelidonium) (plant).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal