elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: olijk

olijk , oolik , oolijk, doortrapt, schrander, slim.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
olijk , oolik , (bijvoeglijk naamwoord) , ziek, guitig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
olijk , oolijk , Wordt gebruikt niet alleen voor vafer, astutus gelijk Kiliaan heeft op oodelick, maar bij de boeren beteekent het ook ziek.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
olijk , olijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, noord) = olijk, guitig Hij hef zo’n olijke blik (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
olijk , olijk , (Kampereiland, Kamperveen) zeer gering. Gunninks woordenlijst van 1908: Oe olijker ond oe meer vlooien ‘holle vaten klinken het hardst’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
olijk , olek , zeer ernstig ziek. Ote is heel olek.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
olijk , olijk , 1. klein, aardig; d’n olijke, de kleinste in het gezin; 2. slecht, versleten, onbeduidend.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
olijk , oelig , klein
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal