elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ozewoud

ozewoud , [sukkel] , ozewold , hoze-wold, m. sukkel, domoor. Vocab. 1472. Osa hose, een leerse. Wold als in pl. d. sture-wold stuursch mensch. Dus een kous van een kerel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ozewoud , ózewòlt , Nagenoeg hetzelfde als tao, taai. Zie ald.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ozewoud , ozewold , Domoor, lompert.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
ozewoud , ozewold , onnozele jongen. Iei bint toch zon ozewold, zie kunt oe alles wiesmaekn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ozewoud , ozewold , stommeling, sufferd (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal