elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: paas

paas , paas , Is een ijser keten, welke aan de ploeg gedaan wordt, wanneer men met vier paarden ploegt, door welk middel de twee voorste paarden de ploeg helpen trekken.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
paas , paas , zelfstandig naamwoord de , Pasen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal