elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pieren

pieren , pieren , beetnemen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
pieren , pieren , (transitief werkwoord) , foppen, beetnemen, misleiden. Hij heeft zich laten pieren, d.i.: bedriegen. Daar is hij meê gepierd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pieren , pîren , (zwak werkwoord) , beetnemen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pieren , pieren , zwieren; zie: pier.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pieren , pieren , Foppen, misleiden. Kiliaan heeft piere voor een strik, waar mede men wild vangt, welk daar door zeker ook misleid wordt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
pieren , pieren , aan de zwier zijn
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pieren , pierken , piereken, pieren, pierkern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe). Ook piereken (Zuidwest-Drenthe, zuid), in bet. 2. ook pieren of pierkern (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. zeuren, doordrammen Zij kan overal over pierken (Flu), Die pierekt altied aover het wark (Hol), Hij pierkert wel zo lange dat hij zien zin krig (Uff) 2. piepen van een wiel (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat is die kaore an het pieren; wied uut de veerte heur ie hum al (Rui) 3. pesten (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij zit hum altied te pierken (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pieren , pieren , pierken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Ook pierken = prutsen, niet opschieten Hij zit de heile dag op zo’n stukkie veen te pierken (Bco), Hij lig er aal umhen te pieren (Sle), Schei toch uut te pierken, ie kunt niet zien daj wat edaon hebt gezegd tegen een trage werker (Nije)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pieren , pierken , werkwoord , niet opschieten, prutsen en/ of treuzelen met het werk, bezig zijn met kleinigheden die het werk nauwelijks doen vorderen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pieren , gepierd , uitdrukking , Hij hettet nog een end gepierd Hij heeft het er nog goed afgebracht
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pieren , pieren , zie piezeken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal