elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ploeteren

ploeteren , ploeteren , met ruim sop frisch afwasschen. Sc. to s-platter. Ik hebbe my ’s broaf ’eploeterd. Eig. met de handen in het water omplassen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ploeteren , ploeteren , Plonsen, dompelen, zoo dat het water om de ooren spat; men zegt het van kinders die in het water morsen en plassen en vooral van de eenden, als ze in sloot of gracht omtuimelen en onderdompelen tegen verandering van weêr of om zich te zuiveren en te verfrisschen. Het woord komt overeen met het oud-Hollandsche pladeren, plaaieren of pleieren, van pladen gevormd; Dr. de Jager o. d. werkwoorden, haalt een voorbeeld aan van plaeyeren voor in het water plassen; zie ook mijn Overijselsch Taaleigen. Ploeteren is in Noord-Holland ‘wroeten, sloven, zonder behoorlijk overleg hard werken,’ zie den Navorscher, VII, blz. 161.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
ploeteren , ploeteren , (intransitief werkwoord) , wurmen, wroeten, moeielijk werk verrigten, met veel moeite en inspanning een werk verrigten, dat weinig voordeel aanbrengt, wurmen en wroeten om een sober stukje brood. Het is ploeteren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ploeteren , [plassen; zich wassen] , plûteren , (zwak werkwoord) , plassen, zich wasschen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ploeteren , ploetêrn , in het water plassen; zōk ploetêrn = hoofd en handen in ruim water wasschen al is het enkel tot verfrissching, bij Halbertsma: met ruim sop frisch afwasschen. – In de beteekenis van: aanhoudend en met ijver werken in eenig studievak is alleen bij beschaafden bekend, en komt eenigszins overeen met het Noord-Hollandsch ploetern = wroeten, sloven. Middel-Hoogduitsch plodern, blodern, blôdern, plôdern = een gedruisch maken, en met het Latijn plaudere, klappen in de handen of met de vleugels, van denzelfden oorsprong. Zie ten Doornk. art. pludern 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ploeteren , ploeteren , Grauwen, uitvaren. Misschien van ’t Hoogd. plaudern. [Ploeter-dier: iemand die zeer winderig en bulderig is in ’t spreeken.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
ploeteren , ploetern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. hard werken Hij mus de hiele dag ploetern um rond te kommen (Wes), Wij hebt vrogger wat ploetern daon bij die boer (Dwi) 2. met moeite ergens doorheen gaan Wij hebt wal een uur deur de snei lopen te ploetern (Zwig), Biest ploetert deur het water, zo nat is het er (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ploeteren , ploeteren , 1. ploeteren; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: in het water plassen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: floeteren (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ploeteren , [plonzen] , ploejere , ploejertj, ploejerdje, geploejerdj , plonzen , Veugel ploejere zich gaer: vogels nemen graag een waterbad.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal