elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pluren

pluren , [uitpluizen] , pluren , pluizen, uitpluizen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
pluren , pluren , (zwak werkwoord, intransitief) , Met half dichtgeknepen ogen kijken; soms een natuurlijk gebrek, soms het gevolg van te fel licht of van vermoeidheid. || Trijn heb wel ’en aardig bakkes, maar ze pluurt. Je magge (moogt) niet zo pluren. – Ook turen, strak op iets kijken. || Wat zit je daar te pluren. – Evenzo in het Stad-Fri. pluren, starogen (O.Volkst. 2, 179), Oost Fri., Ndd. plîren, plüren, met halfgesloten ogen zien (KOOLMAN 2, 733), Deens plire, blire, Zweeds plira, blira. – Zie pluurten en plurreken, en vgl. pluuroog.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pluren , pluurten , (zwak werkwoord, intransitief) , Op de Koog in gebruik voor pluren; zie aldaar. || Wat zit je weer te pluurten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pluren , plüüren , kluiven
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pluren , ploeren , pluuren, afpluuren , Bij voorb. een bot pluuren, d.i. een been kluiven. Vergelijk Kiliaan op pluisen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
pluren , pluurn , werkwoord, zwak , 1 pluizen, 2 wed. zich de veren terecht strijken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pluren , plure , werkwoord , Met half dichtgeknepen ogen kijken, ingespannen turen. Vgl. Boek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pluren , pluren , pleuren , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook pleuren (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. pulken, peuteren Hij zit vake in de neuze te pluren (Hav), Die jonge zit altied an de dèkens te pluren (Ruw), De kiepen zit heur ien de veren te pluren (Flu), z. ook pulken 2. kluiven Die botties, daor kuj een hiel toer met zitten te pluren (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal