elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: podde

podde , podde , (vrouwelijk) , kwijnende of ongeredderde staat. Men zegt te Dev. ook uut de podde, net opgeschikt. Wa ’s Jan uut de podde! ’t is wel te zeen dat’t zundag is, wat is Jan in den pronk. Podderig, podderik, smerig, ongehavend. Zoo komen de moeskruiden bij eene lange en koude droogte in de podde. Het beteekent eigenlijk eene havenlooze morsigheid. en is één met pad, waarom de L. F. den naam van den kikvorsch hier bezigen. De finne is yn ’e pogge, de weide is in de kwijning.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
podde , podde , (vrouwelijk) , podden , vuile, waterachtige plek; fig. slechte toestand; hé is in de podde, hij is aan lager wal; hé is ût de podde, hij is netjes, opgeknapt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
podde , podde , (vrouwelijk) , Oud vuil, oud smeer (gevolgvan onzindelijkheid) Ik wil mîn gud bîʼn ander laoten wassen, ʼt zit gedücht in de podde; ik haope dakter de podde weer ü̂̂tkrîge. Iemand: ü̂̂t de podde helpen = hem een reinigingsproces doen ondergaan. Afl. verpodden en podderig. Dat hü̂̂s is vergangen jaor evarft, maor ʼt is al glad verpod: de inwoonders bint arg podderig.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
podde , podde , (vrouwelijk) , Oud vuil, oud smeer (gevolg van onzindelijkheid). Ik wil mîn gud bî ʼn ander laoten wassen, ʼt zit gedücht in de podde, ik haope dakter de podde weer ü̂tkrîge. Iemand: ü̂t de podde helpen = hem een reinigingsproces doen ondergaan. Afl.: verpodden en podderig. Dat hü̂s is vergangen jaor evarft, maor ʼt is al glad verpod; de inwoonders bint arg podderig.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
podde , podde , porre , [podә] , vuil. In de podde: in ’t vuil
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
podde , podde , In de podde raken, komen, zijn. Van menschen, die verslorderen of dingen die slorzig behandeld zijn of worden. Hier van ook podderig voor slorzig, morssig, ongedaan, en ’t verbum verpodderen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
podde , pod , zelfstandig naamwoord ’t , Neusvuil dat met de vinger uit de neus wordt geplukt. Etymologisch is dit pod waarschijnlijk hetzelfde woord als pod. Vgl. Boek. onder pod.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
podde , podde , verwaarloosd, b.v.: in de podde = verwaarloosd.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
podde , podde , 1. in de podde kommen: verslonzen, het niet meer aankunnen; 2. he’j de podde weer eschetten?: ben je weer opgeknapt?
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
podde , podde , porre , de , podden , (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook porre (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = pukkel, zweer Dat wicht hef almaol podden in ’t gezicht (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
podde , pódde , (Zuidoost-Drents zandgebied), in Het is almaol podde het zijn waardeloze vruchten (Sle), Daor zit de podde in vruchten willen niet groeien (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
podde , podde , vuil dat al langere tijd ergens op vast zit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
podde , podde , vervuilde of onaangename toestand. Hie zat helemaole in de podde. Hie et ’m in de podde.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
podde , podde , 1. dikke vrouw; 2. dikke man; 3. lichaam; 4. narigheid; zich niet goed in de podde voelen, zich niet lekker voelen; in de podde zitten, niet willen groeien.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal