elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: poesten

poesten , poesten , blazen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
poesten , poesten , Blazen. Kiliaan, idem.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
poesten , poesten , blazen, bijvoorbeeld in het vuur.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
poesten , poesten , (intransitief werkwoord) , blazen, in het vuur poesten. Van daar asschepoester.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
poesten , poesten , blazen; “asʼt onweer oet hef poest”; poesten asʼn gaans. Sprw. poesten en hollen ʼt meel in de zak (zie: maal.) Gron. poesten, puusten = blazen, met den mond lucht uitstooten, ook Friesch. Overijs. Geld.; Kil. poesten, puesten, puysten, Noordfr. püste = blazen, snuiven; Oostfr. Neders. Holst. Westf. puusten, Deensch puuste, Zw. püsta, HD. pusten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
poesten , pûsten , (zwak werkwoord) , blazen; i künt n(i)eet pûsten en ’t mèl in den mond holden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
poesten , poesten , puusten , blazen, met den mond; ook = hijgen, inzonderheid van vermoeidheid; in ’t vuur poesten; poesten van hard loopen, trappen beklimmen, van de warmte, enz. Hiervan: anpoesten = (het vuur) aanblazen; oetpoesten = uitblazen van een licht; inpoesten = blazen, in het glas eener brandende lamp, in een blaaspijp, enz; wegpoesten = wegblazen; ofpoesten = stof door blazen verwijderen; poesten en bloazen (tautologie) = snel ademhalen, of: den adem uitstooten, hijgen van vermoeidheid of van groote warmte; niks doun as poesten en steunen = onophoudelijk hijgen, stenen, klagen; ook Overijselsch, Geldersch. Het oordeel van oningewijden omtrent de klankmethode (eene natuurlijke leesleerwijze) luidde hier (nog slechts ruim 60 jaren geleden) algemeen: och, ’t is niks as poesten en bloazen! Zegswijs: poesten en hollen ’t meel in de mond (= blazen en ’t meel in den mond houden, ook: schieten en ’t gat dichthollen), wordt gezegd van menschen, die, naar hun spreken te oordelen, gaarne iets goeds helpen tot stand brengen, maar er steeds op bedacht zijn het geld in den zak te houden, dus personen die het met praten goed willen maken. Drentsch Hij wil wal poesten maar ’t maal in de buutse hollen = hij houdt van meedoen als het hem niets behoeft te kosten; Oostfriesch De wil pusten un hollen ’t mêl in de mund = hij belooft iets of neemt zich iets voor, wat hij onder de gewone omstandigheden niet kan ten uitvoer brengen. Drentsch, Friesch, Overijselsch, Geldersch poesten = blazen; Kil. Poesten, puesten, puysten, Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Westfaalsch pusten, puusten, Noordfriesch püste, Deensch puuste, Zweedsch püsta, Hoogduitsch pusten = blazen, snuiven, enz.
het wegnemen van eene schijf op het dambord, waarmede de tegenpartij verzuimde te slaan; ik poest hōm = ik neem die schijf weg. Dus de fig. beteekenis van poesten, eigenlijk zooveel als: ik blaas haar weg, en te vergelijken met ’t is gebloazen = ik ben het voorwerp kwijt; en: gebloazen wezen = het spel verloren hebben. West-Vlaamsch geblazen zijn = verloren zijn, Fransch être perdu (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
poesten , poesten , (zwak werkwoord, intransitief) , Waaien, blazen. || Hoor die wind ers poesten. Poest erres in ’t vuur. – Poesten is in N.-Holl., Friesl., Gron., Drente, Overijs., Gelderl., en Oost-Friesl. bekend, en verder in verschillende Ndd. en Hgd. dialecten. Vgl. KIL.; Taalgids 5, 165; O. Volkstaal 1, 151; MOLEMA 330; KOOLMAN 2, 777; GRIMM, D. Wtb 7, 2278. – Vgl. de samenst. oppoesten, en zie poest, poestig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
poesten , poesen* , vergel. poestert *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
poesten , půssen , puäs, epuässen; ik půsse, dů post, hei pos, wi, i, zei půst, ik puässe, dů puäst, hei puäs, wi, i, z , blazen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
poesten , poesten , Blazen. Het vuur aanpoesten; poester of vuurpoester, blaaspijn. Ook bij Kiliaan. Dan wij gebruiken ’t woord poesten ook voor hijgen, de actie van iemand die buiten adem is.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
poesten , poesn , werkwoord, zwak, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: pos, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: pues , blazen, door mens of dier. Niks as poesn ouwr t skùlken, en maar kletsen, aan éénen door; hef owe moo oe gin poesn eleard, heb je niet geleerd geduld te hebben; hee hef de laampe oete epùst, hij is overleden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
poesten , poesten , blazen (ook bij damspel)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
poesten , poeste , werkwoord , 1. Blazen (van de wind). 2. Aanblazen (vgl. de naam Assepoester). 3. Zwaar ademen, hijgen. Vgl. Fries pûste.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
poesten , poesten , term uit de beugelsport. Als de bal zonder de grond te raken in een keer door de ring gegooid wordt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
poesten , poesen , werkwoord , kreunen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
poesten , poesn , zuchten, hijgen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
poesten , poesten , werkwoord , 1. blazen 2. hijgen 3. uitrusten (van zware arbeid) 4. snoeven, opscheppen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
poesten , puusten , pusen , 1. hijgen; 2. klagen; 3. pijn doen; 4. iets met moeite doen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal