elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pratten

pratten , prattĕn , knorrig zijn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
pratten , pratten , Staan pratten, staan zeuren, b.v. van een plant, die niet dood is, maar niet uitloopt. - Ook voor: zachtjes staan te koken.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
pratten , pratten , mokken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pratten , pratten , Weinig gebruikelijk dan ten aanzien van kinderen, is: pruilen. Vergelijk Kiliaan, die ’t onder anderen voor superbire geeft. In der daad heeft het pratten der kinderen zijn oorsprong uit hunne beledigde hoogmoedigheid.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
pratten , pratte , niet doorgroeien; zijn ei niet kwijt kunnen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pratten , pratte , werkwoord , 1. stil nijdig zijn, mokken (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens); ‘Zit niet zo te pratte!’ (KRS: Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 105). 2. (ww) ook prakke : optreden van stilstand in de groei van het gewas, bijvoorbeeld bij koud weer (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens) ‘Het gewas staot mar te pratte.’ (Scha); een enkele keer ook wel van een dier gezegd, bijvoorbeeld een schaap (LPW: IJss, Mont, Bens) In deze betekenis ook prakke (Bens, Pols) Zie ook *steke en *kwarre . 3. (ww) (van eten gezegd) sudderen, verpieteren (LPW: Mont, Bens); (als man of kinderen laat thuis komen:) ‘Het eten staat op de kachel maar te pratte.’ (Bens) (het wordt er dan niet beter op) 4. (ww) treuzelen (LPW: Mont)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
pratten , pratten , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. verongelijkt zitten te mokken Het is hum niet van ’t zin, hij hef de heile aovend al in de houk zitten te pratten (Bov), Hij zit wat te pratten aachter de taofel (Row), z. ook proelen 2. niet willen groeien (Zuidwest-Drenthe, zuid) De eerappels staot wat te pratten (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pratten , pratten , pruilen, zacht huilen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pratten , pratten , (Gunninks woordenlijst van 1908) pruilen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pratten , prâttn , tobben, pruilen. Daor löp hie noe te prattn, umdât hie ’t verleurn hef.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pratten , pratten , protten , werkwoord , pratten, pruilen, mokken, ook: ineengedoken zitten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pratten , pratte , pruilen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pratten , pratten , prätten , 1. dutten, soezen; 2. slecht gedijen; 3. mokken, tegenspreken; 4. zeuren; 5. dwingen, drenzen van kinderen; pratstoel, comfortabele stoel, om een middagslaapje in te doen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pratten , pratte , werkwoord , mokken (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant; Eindhoven en Kempenland); pratte; pruilen, kwijnen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal